zondag 28 december 2014

TONEEL OP DE DEEL



Het was dit jaar vijftig jaar geleden, dat André van Duin een talentenjacht won en dat Johan Cruyff debuteerde in het eerste van Ajax. Het was ook vijftig jaar geleden, dat in Vleuten de toneelclub “La Jeunesse” het licht zag.
Twaalf jaar waren wij, mijn vriend Frank en ik, toen wij op 4 oktober 1964 een toneelvereniging oprichtten. Omdat een vereniging met twee leden een te smalle basis is, gingen we op zoek naar leden. Al snel vonden we Marjolein en Margriet bereid om mee te doen. Er waren nog meer belangstellenden, maar die kwamen de eerste keer niet opdagen.
We spraken om te beginnen over de naam van de vereniging. Uit een groot aantal voorstellen kozen we unaniem voor “La Jeunesse”. Het gaf ons jeugdig enthousiasme een internationaal tintje. Vervolgens werd Frank tot directeur gekozen en ik tot secretaris. Dit alles verliep via een geheime stemming met stembriefjes. De contributie werd vastgesteld op 20 cent per maand.
Al voordat er maar enige bijdrage binnen was, deed ik een eerste investering. Ik kocht voor 35 cent een gelinieerd schrift met gele kaft. Op pagina één maakte ik het contributieoverzicht. Met fraaie letters, het was tenslotte de eerste pagina, noteerde ik daaronder de aanschaf van het schrift. Op de volgende pagina’s schreef Frank onze eerste, zelfbedachte eenacter.
Frank en ik woonden in dezelfde straat en waren sinds lang met elkaar bevriend. Als ik naar de kleuterschool liep, klepperde ik bij zijn voordeur met de brievenbus. Dan gingen we samen verder. We stonden regelmatig bekvechtend tegenover elkaar in de zandbak achter zijn huis. Frank speelde graag de baas en ik wilde veelal mijn zin hebben. Maar we zochten elkaar steeds weer op.
De eerste voorstelling werd gepland op zondag 8 november. We regelden dat we gebruik konden maken van de deel van een voormalige boerderij. Die was destijds in gebruik bij de gidsen, de vrouwelijke tak van de padvinders. We maakten zelf aanplakbiljetten en brachten de uitnodigingen rond.
Die zondagmiddag zaten er op de bankjes en stoeltjes zo’n twintig familieleden en vriendjes klaar voor onze voorstelling. Op het programma stonden drie stukken.
1.     De twee arme zwervers
Een zelf geschreven, op Swiebertje geïnspireerde scène waarin de zwervers Bas Boterbloem en Piet Paardenbloem brood stelen bij de bakker. We zongen een lied op de melodie van Als ’t effe kan (uit My fair lady): ‘welbedankt voor het brood, het was lekker, we gingen niet dood’.
2.     De zonsverduistering
Een schuifdeur- en kampvuursucces over diverse rangen in het leger, die elkaar een order doorgeven. De overste begint: ‘Morgen om negen uur is er een zonsverduistering. Iets dat niet elke dag voorkomt. Laat de manschappen in werktenue aantreden op het exercitieplein, zodat zij dit zeldzame verschijnsel kunnen zien. Als het regent zullen we niets kunnen zien; in dat geval neemt u de mannen mee naar de gymnastiekzaal’. De majoor brengt vervolgens de boodschap in iets gewijzigde vorm over aan de kapitein. Bij elke overdracht sluipen er meer fouten in, zodat aan het einde de sergeant aan zijn manschappen meedeelt : ‘Morgen om negen uur zal de verduistering van de overste plaatsvinden in werktenue door middel van de zon. Als het regent in de gymnastiekzaal, moeten jullie aantreden op het exercitieplein, iets dat niet elke dag voorkomt”.
3.     De diefstal
Een zelfbedachte scene, die opent met een raadselachtige diefstal bij de familie de Bruin. Twee vrouwen vallen flauw (‘de lijken worden weggesleept’, meldt het script). Een domme politieagent arresteert abusievelijk meneer de Bruin, waarna alles weer op zijn pootjes terecht komt.
Aan het einde riep Frank: ‘The End’! Daarna werd er hard geapplaudisseerd en met zijn vieren bogen we onwennig en ongelijk het hoofd.
Het is bij die ene voorstelling van “La Jeunesse” gebleven. Soms krijgt een debuut geen vervolg. Frank verhuisde in 1965 met zijn ouders naar Noord-Brabant. Op 26 oktober dat jaar boekte ik nog een inkomend bedrag van 42 cent. Er zat toen 3 gulden 55 in kas. Daarna bleeft het schrift leeg.
Het is mij niet bekend wat er met het batig saldo is gebeurd.




zaterdag 20 december 2014

KERSTDINER IN HET VERZORGINGSHUIS



We zitten met zijn achten aan een tafel.
Bewoner A draagt een colbert en een stropdas. Hij kijkt strak voor zich uit en zegt weinig. ‘Maar hij weet nog alles’, zegt zijn dochter trots naast hem. ‘En met zijn gehoor is ook niks mis’. Deze openbaring brengt geen verandering op zijn gezicht.
Mevrouw B kijkt met een olijke, maar ook wat melancholieke blik de kring rond. Ze hoopt, dat er een besje voor haar wordt ingeschonken. ‘Want ik weet niet of ze die in de hemel hebben’.  Ook zij wordt vergezeld door een dochter.
Mevrouw C is een kleine, tengere mevrouw, die in elkaar gedoken in haar een electrische rolstoel zit. Zij heeft een te wijd uitgevallen gebloemde jurk aan. Haar blik is voortdurend omlaag gericht. Naast haar zit haar zoon. ‘Ik ben zo blij, dat je er bent’, lispelt ze met enige regelmaat tegen hem.
Mijn moeder is de vierde bewoonster aan tafel. Zij is 95 en haar geheugen laat haar behoorlijk in de steek. Ze probeert dat zo goed mogelijk te verbergen. Ze wil niet klagen. ‘Wat is verder de bedoeling?’, vraagt ze mij.
Eerst wordt er door de vrijwilligsters een drankje geserveerd. Het zijn struise, breedlijvige dames van in de zestig, aan wie de kapper goede klanten heeft. Opgewekt en voortvarend gaan ze de tafels langs.
De zoon van  mevr. C vertelt, dat zijn moeder past sinds enkele weken in het huis woont. Hij is aanwezig, omdat alles voor zijn moeder nog onbekend is. Maar eigenlijk komt het hem niet goed uit. Hij heeft deze avond ook een eindejaarsetentje op zijn sportclub. Er staan twee zakken met 150 warme oliebollen op de achterbank van zijn auto. Dus hij heeft zich voorgenomen om na het voorgerecht te vertrekken.
Voorlopig moet hij nog even wachten. Voor de vrijwilligsters is een glaasje vooraf een aangename bezigheid. Maar hier aan tafel kennen we elkaar niet, dus na drie kwartier begint de conversatie ernstig te stokken en kijken wij met zoon C verlangend uit naar de komst van het voorgerecht.
‘Alles op zijn tijd, zei de boer en hij kuste de meid’, zegt mevr. B.  Zij kijkt verwachtingsvol rond of er gereageerd wordt. Meneer A kijkt afkeurend. Maar misschien staat zijn gezicht altijd in diezelfde stand. Bij sommige ouderen staat het leven op het gezicht getekend.
Na een uur wordt een gebonden champignonsoep opgediend.
‘Smaakt ie, mevrouw van Dijk?’, vraagt een vrijwilligster.
Mijn moeder steekt de duim van haar linkerhand in de lucht.
‘We hebben hier niets te klagen hoor!’
Dan buigt zoon C zich voorover naar zijn moeder.
‘Ik moet nu gaan, er wachten een heleboel mensen op mij bij de club’.
Zijn moeder duikt nog verder in elkaar en haar onderlip begint te trillen. Nauwelijks hoorbaar huilt ze: ‘ik heb zo’n pijn jongen, blijf nog even’.
‘Wat zegt ze?’, vraagt mevrouw B.
De zoon wil zijn moeder antwoorden, maar hij sluit zijn lippen weer. Hij doet zijn colbert uit.
Als het hoofdgerecht wordt opgediend, zet mevr. B een lied in:
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, met je hengels en je worrempies erbij’.
Haar dochter stoot de arm van mevrouw aan: ‘Zeg, het is kersttijd hoor!’
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, dat was beter voor jou en voor mij en voor Lutjebroek erbij’.
Mijn moeder beweegt met haar rechter wijsvinger mee op de maat van het lied.
‘Wat is het gezellig, hè’, zegt de vrijwilligster die uitserveert. ‘En wat een lekker eten hè, meneer! Rollade, dat kreeg u zeker vroeger thuis niet? Of wel?’. Meneer A wil net een hap nemen, maar het eten valt van zijn vork af.
Zijn dochter antwoordt: ‘ik denk het niet, nee’.
‘Nou, laat u maar lekker verwennen hoor!’
Terwijl Mevr. B Ouwe taaie, jippie, jippie, jeeh inzet, doet zoon C een nieuwe poging om op te stappen. Dit keer huilt zijn moeder harder. Met een zucht gaat de zoon weer in zijn stoel zitten, zich realiserend, dat hij zijn 300 lauwe oliebollen vanavond niet meer kwijt zal raken.
Er worden kerstliederen gezongen.
In afwachting van het dessert vallen de ogen van mijn moeder regelmatig dicht.
Na het puddinkje met bessensap is het tijd om te gaan.
Aan mijn arm schuifelt mijn moeder op haar kaalgetrapte pantoffels over het tapijt van de grote zaal. Ik hoop maar dat het tapijt geen statische elektriciteit opwekt.




zaterdag 13 december 2014

HET KLASSIEKE HART



In het radio 4-programma De Klassieken mag elke week een Bekende Nederlander 5 favoriete muziekfragmenten laten horen. De BN’er vertelt daarbij over zijn leven. Omdat ik geen BN’er ben en de kans daarop met de dag tot nagenoeg 0% daalt, gebruik ik dit weblog om mijn huidige muziekkeuze te laten horen. Mijn stelling hierbij is: wat je in een bepaalde periode mooi vindt, hangt nauw samen met je leven in die fase.

Als kind heb ik thuis veel klassieke muziek gehoord. Of, beter gezegd, moeten horen. Mijn vader was een groot liefhebber. Ik kan niet zeggen, dat ik het mooi vond, al heb ik als kleuter wel eens boven op een stoel gestaan om een vioolromance van Beethoven te dirigeren. Dat leek me een fluitje van een cent, dat dirigeren.
Zo rond mijn 21e werd ik voor de eerste keer echt geraakt door klassieke muziek. Ik volgde met een groep een stottertherapie. We lagen op een dekentje voor een ontspanningsoefening. Ik voelde me geheel vrij van angsten en zo vol zelfvertrouwen, dat ik de hele wereld aan kon. Op dat moment liet de therapeute het Andante horen uit het 12e  pianoconcert van Mozart (KV 414) en belandde ik in een bovenaardse staat van gelukzaligheid.

Klassieke muziek kreeg vanaf toen een plaats in mijn leven, zij het nog aan de rand. Want ik hield vooral van popmuziek.
De volgende doorbraak kwam begin negentiger jaar. We wilden onze zoons van 6 en 8 laten kennismaken met klassieke muziek. Dat had ik dan toch van mijn vader overgenomen. We kochten een abonnement op een kinderserie in muziekcentrum Vredenburg. De kinderen waren na drie concerten wel uitgekeken, maar G en ik hebben sindsdien elk jaar een abonnement op een serie concerten. Ik begon ook thuis naar klassieke muziek te luisteren,  grote werken van 19e eeuwse componisten als Beethoven, Dvorak, Mendelssohn en Brahms. Klassieke muziek was voor mij in die jaren een rustpunt in een druk leven met verantwoordelijkheden. Ik kreeg een voorliefde voor Brahms met zijn afwisseling van donkere en llichte melodieën, zoals hier in het eerste deel van de tweede symfonie.

Daarna raakte ik in de ban van de vocale muziek en van religieuze werken. Ik was lid geworden van het kamerkoor Decibelle. In mijn eerste uitvoering zongen we het Requiem van Michaël Haydn. De schitterende harmonieën galmden nog lang na, niet alleen in de kerk, maar ook in mijn hoofd. Ik kocht cd’s van missen, requiems en oratoria. Gulzig luisterde ik keer op keer naar de op muziek gezette kerkelijke teksten. Zelfs sopraanaria’s, die ik tot dan toe als gegil had bestempeld, begon ik mooi te vinden, met dank aan het Laudamus te uit Mozart’s mis in c mineur.  
Ik heb niets meer met de kerk. Desondanks kan ik van religieuze muziek geen genoeg krijgen.  Het brengt me terug in het veilige, overzichtelijke leven van mijn kindertijd. Bovendien gaan religieuze werken over de wezenlijke zaken in het leven. Over lijden en pijn, maar net zo vaak over troost en aanvaarding.

Ik luisterde al regelmatig barokmuziek, maar in 2013 werd ik echt verliefd op de barok. Ik deed mee aan een een zomerweek. Met een groep goed geschoolde zangers en instrumentalisten zongen we stukken van Händel, Rameau en Lully.  Wat een heerlijk tempo, wat een vrolijke nootjes! Muziek om op te dansen.

In korenland is al enkele jaren 20e eeuwse muzieke van noord-europese componisten, zoals Pärt, Kreek en Nysted populair. Er zijn mooie stukken bij met lang aangehouden noten en met schurende harmonieën die altijd wel weer ergens oplossen in consonante drieklanken. Muziek om te luisteren als je mindfull op je dekentje tussen de waxinekaarsjes ligt. Blijkbaar is dat op dit moment niet zo mijn behoefte. Na een paar stukken verlang ik naar tempo.
Ik ben verder de barok ingedoken, in de laatrenaissance en de vroege barok. Ik kom naast weemoed veel vrolijke muziek tegen, waarin de luit, de theorbe en andere voorlopers van de gitaar een belangrijke rol spelen en waarin oude blaasinstrumenten als de cornetto jazzy improvisaties laten horen.
Het ensemble L’Arpeggiata, onder leiding van Christina Pluhar, heeft er zijn bekendheid mee verdiend. Sommige mensen vinden dit geen klassieke muziek meer.

Vijf muziekfragmenten en niets van Bach, dat kan eigenlijk niet. Die bewaar ik dan voor een volgende keer. Over een tijdje heb ik waarschijnlijk weer andere voorkeuren. De klassieke muziek is een oneindig universum.


zaterdag 6 december 2014

MANNEN LET OP UW SAECK


We zitten met zes jonge mannen in een rommelige studentenkamer. Op een lage houten tafel, voor eeuwig gemerkt met kringen van glazen en schroeivlekken van peuken, staat een pot koffie op een brandend theelichtje. Er ligt een exemplaar van De (Vogel-)Vrije Fietser naast een nummer van het Utrechts Mannenblad. Vanuit de keuken horen we een hoogfrequent metalen tikgeluid. P, onze gastheer, houdt ervan om de warme melk voor de koffie zeer fijn op te kloppen.
‘B is natuurlijk weer eens te laat’, zucht V.
‘Gaan we dat nu een keer aan de orde stellen?’, vraagt F., terwijl hij met zijn tong het vloeipapier van een shagje vochtig maakt.
‘Daar ben ik erg voor’, antwoord ik.
M. kijkt de kring rond en zegt dan met nadruk, alsof hij wil scoren: ‘Het is natuurlijk wel erg mannelijk om elkaar daar zo strikt op aan te spreken’.

Het is eind jaren zeventig. De tweede feministische golf is op zijn hoogtepunt. Dat vrouwen van alles met elkaar delen in vrouwengroepen en vrouwenhuizen roept een reactie op: ook mannen moeten emanciperen. We moeten af van de traditionele rol van de stoere, zelfverzekerde en machtsbeluste man. Mannen moeten hun zachtere kanten ontdekken en onzekerheid durven laten zien.
Er worden op kringlooppapier gestencilde mannenbladen uitgegeven en Man-ifestaties gehouden. Ik draag een button met het ‘mannenteken’, waarbij de fier naar rechts gestoken pijl is omgebogen tot een slap naar beneden hangend pijltje. Ik koop een tuinbroek en versier mijn rechteroor met een lichtblauw knopje. Ik zet regelmatig een breiwerkje op. De aanmelding voor de mannenpraatgroep is een logische volgende stap.
We lezen Het kleine verschil en de grote gevolgen van Alice Schwarzer, interviews met vrouwen die onderdrukt zijn door hun man. We voelen ons erg schuldig. Wij, de mannen, hebben de vrouwen slecht behandeld. Het is tijd om onszelf onder handen nemen.
We lezen verder en ontdekken dat schuldgevoelens de emancipatie in de weg staan. Aan de hand van Angst im Kapitalismus van Dieter Duhm wordt de sosjalisatie van mannen in kapitalistisch perspectief geplaatst. De eis aan mannen om zich altijd sterk en moedig te gedragen heeft een keerzijde in een ‘regressieve behoefte aan koestering’.
Dan merkt iemand in de groep op, dat we mannenemancipatie op een wel erg theoretische manier  bespreken. Dat zoiets typisch mannelijk is.
Dit inzicht zorgt voor een doorbraak. We moeten het over onszelf hebben en over onze gevoelens. Dan pas kunnen we emanciperen.
De volgende avond bespreken we wat we onder emoties verstaan en waar ze vandaan komen. Er worden stellingen geponeerd en intelligente vragen opgeworpen. Dat gaat tot laat in de avond door. Het lijkt af en toe een wedstrijd: wie maakt de meest steekhoudende opmerking? Verspreid over de vloer naast de stoelen staan de lege beugelflessen Grolsch. De asbak zit vol met peuken.
‘We komen niet verder. Ik denk dat we moeten proberen om onze persoonlijke ervaringen aan emoties te koppelen’, stelt P. voor. ‘Laten we uitwisselen, waar we onzeker in zijn’.
De keer daarop praten we alleen nog maar over problemen in relaties. Ruzies over thuis blijven of uitgaan. Mag je twee vriendinnetjes hebben? De verschillen in behoefte aan seks komen aan de orde. Kan je een fikse ruzie oplossen door een vrijpartij? Is masturbatie schadelijk voor een goede relatie?
Om elkaar beter te begrijpen vertelt ieder zijn levensverhaal. We proberen patronen te ontdekken. Het gaat het er steeds therapeutischer aan toe. We ontleden en analyseren de verhoudingen in onze mannengroep.
‘Jij kijkt voortdurend zo afkeurend naar mij, als ik iets vertel’, zeg ik tegen M. vanuit mijn oude rookstoel. Waarop M. antwoordt: ‘Wat zegt dit over jou, dat jij zo op mij reageert? Lijk ik misschien op je vader?’


Wat mij nu terugkijkend opvalt, is dat ik in mijn schriftje van de mannengroep niets tegenkom over concurrentie tussen mannen onderling. Over de wedstrijdjes die mannen met elkaar houden om de meeste aandacht en de meest invloedrijke argumenten. Over de discussies die zij houden om het debat te winnen. Over de geurvlag die mannen neerzetten in een vergadering. Ik maak dit bijna dagelijks mee. Ik ken het van mezelf.
Elke man kan leren om zijn eigen overhemd te strijken. Je gedrag veranderen is een stuk ingewikkelder.