zaterdag 27 juni 2015

TIJD VOOR VERANDERING



Op 3 juni 1970 is geschiedenis mijn laatste vak op het mondeling eindexamen gymnasium alpha aan het Bonifatiuslyceum in Utrecht. Geschiedenis is mijn beste vak. Ik vind de meeste vragen niet moeilijk te beantwoorden.
Na afloop rijd ik naar huis, zet mijn blauwe Tomos in de garage en drink thee met mijn moeder. Daarna loop ik naar boven naar mijn kamer en laat mij languit op bed vallen.
We waren dat schooljaar met zijn zeventienen. Het naderende eindexamen had van onze klas een hecht collectief gemaakt. We gingen met zijn allen gebukt onder dat onvermijdelijk naderende examen. Om de gezamenlijkheid te onderstrepen hadden we alle banken tegen elkaar aangeschoven. Als om 14:40 uur de bel had geklonken, verzamelden we ons bij een lantaarnpaal op het Pieterskerkhof.
In april hadden we in de donkere gymzaal de schriftelijke examens afgelegd. De school hing vol met bordjes Stilte Eindexamens. We voelden de blikken van de jongere leerlingen als we uit zo’n hersenpijnigende exercitie kwamen. Nu werden we nog eens mondeling overhoord.
‘Nol, hoe ging het?’, vroegen ze vanmiddag, toen ik ons lokaal in het noodgebouw binnenkwam. Ik stak een sigaret op.
‘Hm, ik weet niet. Het was toch wel lastig’, had ik geantwoord. Naar buiten toe hield ik graag de schijn op, dat het er om zou gaan spannen.
‘Niet overdrijven Nol, je staat er gewoon goed voor.’

Wezenloos lig ik nu op mijn buik op bed, mijn gezicht in het kussen, mijn voeten met schoenen steken opzij uit. Aan de wand hangt een aantal stemmige vakantieplaatjes die ik uit de Autokampioen geknipt heb als vervanging voor de posters uit de Muziek Express. De stilte in huis wordt slechts verbroken door de schelle bel van de Friese staartklok.
Mijn eindexamen zit er op. Ik heb mijn middelbare school afgerond. Ik heb vrij! Drie maanden lang!
Ik zou blij moeten zijn, maar ik voel me alleen maar leeg. Het hele jaar, wat zeg ik, het hele gymnasium lang, heb ik braaf en hard gewerkt voor dit diploma. Vooral de laatste maanden ben ik alleen maar bezig geweest met proefvertalingen Vergilius en Homerus, met de Engelse, Franse en Duitse grammatica, en de complete algebra-stof van de laatste twee jaar. Mijn moeder zei wel eens, als ik ’s avonds laat nog over mijn boeken gebogen zat: ’Is het onderhand geen tijd om te stoppen?’ Dan maakte ik eerst nog af wat ik me voorgenomen had. Ik ging de onzekerheid over het examen te lijf met een straf, mij zelf opgelegd oefenregime.
Nu het voorbij is voel ik me uitgeput en teneergeslagen. Het vooruitzicht van drie vrije maanden is geen lonkende vrije tijd, maar een groot gat, een eindeloze tijd om tegenop te zien. Ik zal gaan werken om op vakantie te kunnen gaan. Ik moet op zoek naar een kamer in Utrecht.  Ik moet me aanmelden bij Psychologie en bij een studentenvereniging. Voorlopig heb ik helemaal nergens zin in.  Ik voel me er schuldig over.
Eerst is er nog de uitslag. Voor de eerste maal in zes jaar betreed ik de lerarenkamer om van conrector Erich te horen dat ik geslaagd ben met een van de mooiste cijferlijsten van gym alpha. Op een platte kar, heel studentikoos met bier en gelal, gaan we vervolgens met alle geslaagden een aantal leraren in Utrecht af. Daarna volgen de eindexamenfeesten, die we om beurten voor elkaar houden.
Na afloop van een van die feesten rijden Ton en ik nog één keer naar de school. Het geknetter van mijn Tomos en het donkere gebrom van zijn Honda vullen ‘s nachts de stille straten. In mijn hoofd gonst de muziek. Op mijn netvlies verschijnen beelden van zoenende paartjes, verstrengelde figuren op matrassen, handen op borsten en onder kleren.
Ton heeft een pot rode verf en een paar kwasten meegenomen. Zijn vader werkt bij een verffabriek. Vijf jaar lang zaten we samen op de achterste bank. Ton profiteerde van het huiswerk dat ik trouw maakte. Ik verdiende een vermogen aan weddenschappen, omdat hij steeds dacht dat hij een onvoldoende zou halen, terwijl hij ook zonder zijn huiswerk te maken hogere cijfers haalde dan ik. We toepten de hele pauze door, liepen achter vriendinnetjes aan of haalden op vrijdag de nieuwe editie van de Top-40 bij Staffhorst.
Nu we het gymnasium gedag zeggen vinden we het tijd om een daad te stellen. Iets achter te laten. Het is 1970 en overal klinkt de roep om verandering. Rood is de kleur van de revolutie en daarom verven wij midden in de nacht voor de school twee paaltjes op de brug over de Kromme Nieuwe Gracht rood. Daarna is onze lantaarnpaal op het Pieterskerkhof aan de beurt. 
Het is tijd voor verandering.

zaterdag 20 juni 2015

WE ZIJN WEER THUIS



Het is al donker als G en ik na veertien dagen vakantie weer onze straat inlopen, de koffers achter ons aanslepend en het rugzakje op de rug. Het voelt fris. Ik loop er in mijn korte broek en op mijn zware bergschoenen wat ongepast bij.
De straat ligt bezaaid met dor blad, de gebruikelijke voorjaarsval van de platanen. Er hangen vlaggen met schooltassen aan de huizen.
Terugkeren van vakantie geeft gemengde gevoelens. Het is fijn om thuis te komen, bij mijn dierbaren, mijn muziek, mijn eigen bed. Maar het mooie leven is afgelopen. Straks wachten weer de dagelijkse verplichtingen.
Als we voor onze deur staan, moeten we eerst op zoek naar de huissleutel. Waar hadden we die ook alweer opgeborgen?
‘Het is ook zo verdomde donker in het trapportaal.’
‘We zouden toch nog een keer een lamp laten aanleggen hier?’
Als we de deur openen schuift er een stapel kranten en post de hal in. Uit het huis komt ons de muffe geur tegemoet van een woning, die twee weken niet gelucht is.
We zijn weer thuis!
We hebben het er andermaal goed van afgebracht! Geen verstuikte enkel, tasjesroof, buikgriep of ontmoeting met een suicidale copiloot. Hoe ouder ik word, hoe meer ik bij terugkomst een gevoel van tevredenheid ervaar, van opluchting, ik zou haast zeggen van dankbaarheid, al weet ik niet wie ik hiervoor zou moeten bedanken.
Merkwaardig toch, hoe je meer gaat vrezen, hoe korter je leven nog duurt.
We schenken een drankje in, maken stapels van de post en de kranten, starten de computer op. Ik bekijk wat krantenkoppen. Wie zou er dit jaar overleden zijn? Ik open hier en daar wat post. Ik krijg een gevoel van rusteloosheid: waar ga ik beginnen? De lijst met mails klik ik maar weer weg. Laten we eerst maar eens gaan slapen, in ons vertrouwde bed.
Als ik de volgende dag bezig ben met uitpakken, valt me van alles op wat er nog moet gebeuren. Waar ik ook kom om wat op te bergen, ik zie iets wat aangepakt moet worden.
De tuin is een wildernis en die verfspullen in de kelder moeten eindelijk eens opgeruimd worden. De banken moeten hoognodig in de was gezet worden en ja, da’s waar, we moeten eens op nieuwe stoelen uit. Ik moet ergens opschrijven, dat ik nog een cadeautje moet kopen. Waar heb ik toch dat koordje van mijn bril gelaten, heb jij dat ergens gezien? De kachels moeten dit jaar een controlebeurt hebben, help je mee onthouden? Wat stinkt die wasmachine trouwens, wat zouden we daaraan kunnen doen? Heb jij de autoverzekering al opgezegd? Dat zou jij toch doen?
Ondertussen valt de koloniale palm, die al jaren onze slaapkamer siert, geheel uit zichzelf van zijn voetstuk. Die heeft te droog gestaan. Hij heeft gewacht met vallen tot wij thuis zijn. De pot is in tweeën gebroken en de vloer ligt vol met uitgemergelde potaarde. Een nieuwe pot kopen, dat kunnen we ook aan het lijstje toevoegen.
En oh ja, ik moet niet vergeten om binnenkort op een nieuwe zwembroek uit te gaan, anders loop ik volgend jaar weer in dat versleten ding. Het elastiek is er totaal uit, wat al een paar jaar lang bij het in en uit het water gaan tot onverantwoorde risico’s leidt.
Zo gaat het maar door. Er is geen enkel moment in het jaar, dat er zoveel opvalt wat er nog moet gebeuren als na een vakantie. Binnen de kortste keren is het vakantiegevoel geheel verdwenen.
Ik heb denk ik last van het postvakantiesyndroom. Het zal de overgang wel zijn, laten we het daar maar op houden. De overgang van de onbezorgde, kalme vakantiemodus naar het dagelijkse ritme. Sommige mensen blijven te lang in de vakantiemodus hangen. Anderen gaan in de week na hun vakantie nieuwe plannen maken. Dat is ook een strategie. Ik schiet te snel in de actiemodus. 
Laat ik eerst maar eens wat gaan zingen. Dat helpt tegen alle kwalen.

zondag 14 juni 2015

GROETEN UIT SIERRA DE GUARA



Rodellar is een kleine plaats aan het einde van de weg in de Sierra de Guara in Noord-Spanje. Er staan zo’n vijfentwintig zandkleurige huizen dicht opeen. De kerk staat op het hoogste punt.
Laat op de middag op een warme dag staan G en ik met onze rugzakken en wandelstokken voor de deur van Casa Arilla, het pension waar we ditmaal zullen overnachten. De deur is breed en boogvormig. Het dondere hout is bewerkt. De deur stamt nog uit een eeuw dat men de tijd had om iets moois van een deur te maken.
Omdat er op ons bellen niet wordt opengedaan duwen we de deur voorzichtig open. Erachter ligt een donkere ruimte met een betonnen vloer. We zien er onze koffers staan, die vanaf het vorige adres hier zijn afgeleverd. Rechts ontwaren we in het duister een trap naar boven. We horen de stem van een man, die iets onverstaanbaars roept en beschouwen dit als een uitnodiging om de gedraaide trap op te lopen. Bovenaan de trap staat een man van onbestemde ouderdom. Zijn buik is rond, zijn stem kraakt en hij steunt op twee krukken. Moeizaam lopend gaat hij ons voor door een goed verlicht gangetje over een loper langs glimmend gebeitste deuren. Hij met zijn krukken, wij met onze wandelstokken erachteraan. Groter kan het contrast niet zijn.
Aan het einde van de gang opent hij de deur van kamer 2 en knipt het licht aan, een eenvoudige armatuur met zes felle peerlampjes. Het kamertje ruikt naar zeep. Het voelt er koel. Voor het kleine raam zijn de luiken met houten lamellen gesloten. Op de bruine plavuizen staan twee éénpersoonsbedden, daartussen een ouderwets houten nachtkastje. Aan de wand hangt een goudkleurige prent van Nuestra Senora de Perpetuo Socorro.

Om half tien die morgen waren we onze wandeling begonnen. We trokken door een ruig, bergachtig gebied, waar riviertjes tussen loodrechte rotswanden stromen en vale gieren boven stenige hellingen cirkelen. Op een enkele plaats kom je een Romaanse brug tegen, op andere plaatsen moeten we onze bergschoenen uitdoen om naar de overkant te waden.



Het is hier uitgestorven. We lopen de hele dag door ongeschonden natuur zonder een mens tegen te komen, zonder asfalt te zien, zonder bereik voor de mobiele telefoon. Vandaag passeerden we drie verlaten dorpen. In een donker kerkje lag de vloer bezaaid met puin en paardendrollen. Op één balk na was al het hout van het koor gesloopt. Daken van huizen waren ingestort. Ergens stak er nog een houten stoelpoot uit het puin. In 1973 is hier de laatste bewoner overleden.
Na de spookdorpen waren we afgedaald door de Macunkloof. 


Wind en water hebben hier in vele duizenden jaren van de karstrotsen vreemde pilaren en boogwanden gevormd, een speelparadijs voor roofvogels. Eenmaal vlogen er vier zwarte keizerarenden boven ons hoofd. G dacht even dat de kromme snavels en glurende oogjes het op ons gemunt hadden of toch minstens op wat er nog over was van ons lunchpakket. Ik was alleen maar bezig om met mijn vogelkijker de vorm van de vleugels en de kleur van de bovenstaartdekveren te determineren, zodat ik kon vaststellen met welke gevederde vrienden wij hier te maken hadden.

De volgende ochtend genieten we ons ontbijt in Casa Arilla. We zitten als enige gasten aan een grote, bijna vierkante tafel in een nostalgische kamer vol met vooroorlogse portretjes en herinneringen aan vervlogen tijden. De oude heer schuifelt moeizaam tussen kamer en keuken heen en weer, zodat wij met grote tussenpozen het ene na het andere schaaltje met toast krijgen geserveerd. De door G aangeboden hulp wijst hij glimlachend af. Hij spreekt een dialect Spaans, waarin zo af en toe een woord Frans valt.
Terwijl wij de toast wegspoelen met lauwe thee en een in plastic verpakte madeleine openbreken, blijft hij bij de tafel staan en zegt, met een gezicht alsof hij een grap maakt, dat het leven bestaat uit het ontbijt, de lunch en het avondmaal. En daarna dormir. Hier maakt hij het gebaar bij van twee schuin gevouwen handen waar het hoofd op rust. Zo trekken de dagen voor hem voorbij.
Met deze wijsheid begeven wij ons weer op pad naar onze volgende pleisterplaats. 
Sierra de Guara, onthou die naam.