zondag 6 juli 2014


RECHTDOOR NAAR SCHOOL EN KANTOOR

 

Als ik ‘s morgens tussen acht en half negen naar mijn werk fiets, kom ik door Tuindorp heen.
Dat is een dertiger jaren wijk in Utrecht, met keurige eengezinswoningen, voortuintjes, erkers en glas-in-lood boven de ramen. De wijk is populair bij hoger opgeleide jonge stellen met kinderen.
Tussen acht en half negen gaan de deuren en tuinpoorten open en stromen van alle kanten ouders met hun kinderen naar buiten. Dan worden de prinsen en prinsesjes naar school gebracht.
Moeders met brede derrièrres brengen traag de kinderbakfiets op gang. Vaders in krijtstreeppakken, de haren nog vochtig van de douche, manen hun kinderen op te schieten, de smartphone rinkelt. Autoportieren staan open om het kroost in te laden. Moederkloeken rijden midden op de weg om de meefietsende kinderen te beschermen. Andere moeders rijden met zorgen in hun ogen 50 meter achter hun kroost en gillen bij elk kruispunt ‘Uitkijken!’.
Altijd staat ergens wel een kind huilend op de stoep, omdat de juichpet niet op mag of omdat de roze haarband kwijt is. In de huiskamers flitsen de tekenfilms nog over het wandvullende tv-scherm.

Deze week zag ik op de Sjollemalaan een jonge vader fietsen met een klein jongetje in het voorzitje en iets groter peutermeisje in het zitje achter. Tien meter voor hem uit reed een meisje van een jaar of zes op een roze fietsje.
Hoe het opeens gebeurde weet ik niet. Misschien omdat de vader over een ronde verkeersdrempel reed. Misschien dat een van de peuters een onverwachte beweging maakte. Misschien dat de snelheid gewoonweg te laag was. Midden op de verkeersdrempel viel de fiets plotseling om. Het was een soort sur-place-val. Hij kapseisde, zoals onze kat zich regelmatig op zijn zij laat vallen als hij languit op het tapijt wil gaan liggen.
Er ontrolde zich voor mijn ogen een smartelijke scene.
Het jongetje was uit het voorzitje gekukeld. De veiligheidsriemen hadden hem niet tegengehouden. Misschien had hij zichzelf  voor de val al onder de riemen uitgewurmd. Hij lag keihard huilend op zijn rug op straat. Het kind achterop lag, nog altijd in het stoeltje, met het onderbeen geklemd onder het achterwiel. Het voorwiel stak omhoog en draaide tergend langzaam rond.
De vader stond in een mum van tijd weer overeind. Hij aarzelde even naar welk van de krijsende kinderen hij het eerst zou gaan. Toen zette hij de fiets weer overeind en boog zich over het meisje achterop.
‘Het valt wel mee’, probeerde hij te sussen.
Het leek nu of de kinderen nog harder gingen huilen.
Zijn eerste zorg was om de rust te doen weerkeren en de schade te beperken. Dat zou ik ook doen. Je gaat niet midden op straat naast je kind zitten om het uitgebreid over zijn bol te aaien: ‘huil maar lekker, je zult vast wel pijn hebben’. Dat kan altijd later nog.
Met de fiets in de ene hand tilde hij met zijn andere hand moeizaam en wat onorthodox het jongste kind op.
‘Kom, kom, kom’, zei hij met een zachte, kalmerende stem. Meteen daarop keek hij om naar de oudste dochter die twintig meter verderop midden op de weg was blijven staan. ‘Laura, ga aan de kant staan asjeblieft!’, riep hij haar boos toe.
Ondertussen had ik mijn fiets neergezet. Ik vroeg me sterk af of ik ook maar iets voor de huilende kinderen zou kunnen betekenen. Of voor de vader, die deed alsof het een gewone morgen was en zijn kinderen regelmatig van de fiets afkukelen.
‘Kan ik iets voor je doen?’.
 ‘Nee, dat hoeft niet hoor, het gaat wel weer’. Hij leek vooral zichzelf toe te spreken. Of hij was al aan het repeteren hoe hij het voorval aan zijn vrouw zou uitleggen.
Ik vervolgde mijn weg. De kinderen huilden nog steeds onbedaarlijk.
Toen ik langs de oudste dochter fietste, schreeuwde zij naar haar vader: ‘Pap, wie komt ons vanmiddag ophalen?’

zondag 29 juni 2014


OVERNACHTING IN U HANECKI

 
G en ik wandelen een week lang door Neder-Silezië, een dunbevolkte streek in het zuidwesten van Polen. Het landschap is een combinatie van Limburgs heuvelland en Ardense rivierdalen, met kleine dorpjes en gehuchten, die in veel opzichten lijken op Nederland in de vijftiger jaren. Tot het einde van de tweede wereldoorlog behoorde deze streek tot Duitsland. Maar daar merk je niets meer van, zo op het eerste gezicht.
Op de zesde wandeldag bereiken wij pension U Hanecki in het gehucht Barcinek, niet ver van het stadje Jelenia Gora. Het buitenhuis ziet er verouderd en verveloos uit. Daar kijken we niet van op. We wandelen dagelijks langs ingedeukte brugleuningen, roestige verkeersborden en kapotte bankjes. In de dorpjes zien we de tweedehands auto’s die wij Nederlanders op de automarkt in Utrecht van de hand hebben gedaan, maar ook paarden met houten wagens. Kippen scharrelen langs de kant van de weg. Een dorpswinkeltje valt aan de buitenzijde niet op, hoogstens door een geopende deur, waar kinderen op de stoep zitten. Binnen staan de moeders in de rij achter de toonbank voor een assortiment westerse producten. Een transistor radio naast een kruisbeeld laat Amerikaanse hiphop horen.
In U Hanecki gaat de breed gebouwde zoon des huizes ons voor naar de eerste etage. Hij opent de deur van een kamer van zo’n vijf bij zeven meter. Het enorme vertrek ziet er uit als een eind 19e eeuwse pronkkamer. In de hoek staat een witbetegelde Kachelofen die tot het plafond reikt. De wanden hangen vol met schilderijen: arcadische taferelen, bijbelse scenes, poserende vrouwen. Het meubilair is van donker eiken. De bedden, het dressoir, de klerenkast, de stoelen en de hoge zitbank bij de eettafel, alles lijkt op het meubilair dat boven in het huis van mijn opa en oma (getrouwd in 1897) stond. Overal staan kopjes, wandborden, beeldjes, doosjes en andere snuisterijen. Op de canapé liggen kussens waar in het Duits een spreuk op geborduurd is. In de boekenkast staan Duitstalige boeken in gotisch schrift.
Bij een kopje thee laat ik mijn ogen de kamer rondgaan. Dan komt opeens de gedachte op, dat al dit meubilair waarschijnlijk is achtergelaten door een Duitse familie die na de oorlog gedwongen werd om halsoverkop met medeneming van een paar bezittingen hun huis te verlaten om plaats te maken voor een Pools gezin.
De kamer verandert op slag van sfeer.
Twee dagen daarvoor zaten we in Plawna aan het ontbijt met een Duits echtpaar en een nicht van de man. Hij was voor de oorlog geboren in Lubomierz (Liebenthal), de nicht in Plawna (Schmottseifen). Hun families hadden in 1947 hun huis met bezittingen moeten achterlaten. Voor Polen was dit een begin van herstelbetalingen. Bovendien hadden de Duitsers in 1939 op dezelfde wijze Polen uit hun huizen gezet.
De nicht was in Keulen terechtgekomen, het gezin van de man had zich net over de nieuwe grens in het Oost-Duitse Halle gevestigd, hopend op een spoedige terugkeer naar Silezië. Nadat het ijzeren gordijn om Oost-Duitsland was opgetrokken konden de familieleden elkaar niet meer ontmoeten.
Nu komen de ouderen terug, op zoek naar hun geboorteplaatsen en naar de dorpen van hun voorouders. Zij hebben een kaart van Silezië, waar alle plaatsen met de Duitse naam vermeld staan. Het is geen vooroorlogse kaart. Dit soort kaarten van voormalige Duitse gebieden in Polen en Tsjechië worden in Duitsland verkocht. Er is een markt voor.
Als wij vertellen over onze wandeltocht en over wandelpaden die plotsklaps midden in een akker eindigen, vertelt de man dat in Oost-Duitsland destijds vele wandelpaden zijn verdwenen door de grootschalige landbouw. ‘Nur der Rennsteig nicht!’. De man windt zich er nog zichtbaar over op. Zijn vrouw sust: ‘Das war lange her’. Ofwel,  genoeg over dat Oost-Duitse verleden. Ze weet wat er kan gebeuren als de man zich opwindt.
Als ik in U Hanecki in het antieke bed stap, bezeer ik me aan de houten rand, die uitsteekt boven het dieper liggende matras. Het dekbed is niet 19e eeuws. Het is gemaakt voor koude winters. Dat wordt een warme nacht. Het is maar goed dat de Kachelofen niet aan is.

maandag 2 juni 2014


SUCCESVOL NAAR WERK

 

Nog net op de tijd voor de economische crisis van de tachtiger jaren vond ik mijn eerste baan. Ik ging aan het werk en na een aantal jaren kwam de economische groei langdurig terug. De golven van de economische hoogconjunctuur duurden echter net niet lang genoeg om ongeschonden mijn pensioen te halen. Een paar jaar voor de finish ben ik nu werkloos geworden, zij het part-time. Ik  loop sinds enkele maanden met één been in de WW. Al was het maar met één teen geweest, het Uitkeringsinstituut Werknemers Verzekeringen vraagt van elke werkloze hetzelfde. Elke week een sollicitatieactiviteit uitvoeren, bijvoorbeeld. Ook al is er in mijn branche in geen velden of wegen een geschikte functie te bekennen.
Het UWV nodigde me daarnaast uit om deel te nemen aan Succesvol naar werk, een training voor 55-plussers. Uitnodigen is hier een eufemisme voor verplichten. De cursus maakt onderdeel uit van een pakket van maatregelen van minister Asscher om het groeiend aantal oudere werklozen aan een baan te helpen. Hij heeft er 67 miljoen voor uitgetrokken. Dat vraagt om een tegenprestatie.
Zo zit ik nu iedere woensdagmiddag met negen steuntrekkende leerkrachten, financieel dienstverleners en vpro-programmamakers mijn baanverwervende capaciteiten te verhogen.
Iedere deelnemer zet tijdens de bijeenkomsten zijn beste beentje voor. Het is niet duidelijk of men dat doet om een baan te krijgen of om een strafkorting te vermijden. Er worden wel eens kritische vragen gesteld. Of, gelet op de hoge jeugdwerkloosheid, de beschikbare banen niet beter aan jongeren gegund kunnen worden. Of het überhaupt zin heeft om ons aan een baan te helpen, want als dat bij een van ons lukt, blijft toch weer iemand anders werkloos. De begeleider van het UWV beantwoordt dit soort vragen rustig. Het is een oudere, aimabele Limburger. Hij is ervaringsdeskundige, want hij was enige tijd werkzoekend voordat hij als begeleider bij het UWV aan de slag kon. Helaas kan niet elke werkloze als UWV-consulent aan het werk. Dan zou er niemand meer zijn om te begeleiden.
De rode draad in de training is Personal Branding. Beschouw jezelf als een merk en zet een consistent imago in de markt neer. Laat weten wat je toegevoegde waarde is, wat je ambities zijn, hoe jij je onderscheidt van anderen en welk concurrentievoordeel de werkgever met jou kan behalen. Zet social media hierbij in en ontwerp een eigen website. Laat je begeleiden door een topcoach die jou de tools in handen geeft en je de laatste tips en tricks bijbrengt. En oefen met de elevator pitch. Als jij in een halve minuut jezelf goed kunt presenteren, stap je met een nieuwe baan uit de lift.
Dat er op dit terrein nog veel werk verricht moet worden, bleek wel uit de reacties in onze groep.
‘Dit is iets voor jonge mensen. Die zijn opgevoed met de boodschap dat alles wat zij doen fantastisch is. Wij moesten onze ouders en meesters volgen. Wij hebben niet geleerd om voor onszelf op te komen en op eigen gedachten te vertrouwen’.
Volgzaam als ik ben, ben ik niettemin direct begonnen om mijzelf aan een sterkte-zwakte-analyse te onderwerpen. Ik heb in kaart gebracht wie ik ben, wat ik kan en wat ik wil. Ik heb al mijn interesses ingevuld in de systemen van het UWV. Het was wel een beetje jammer, dat veel van mijn belangstellingsgebieden door het systeem beoordeeld werden als ‘weinig kansrijk’. Er kwam in de branche Cultuur nog wel een enkele vacature naar boven voor een redacteur van technisch voorlichtingsmateriaal. Dat zijn mensen die moeten uitleggen hoe je een wasmachine of smartphone moet bedienen.
Aan de hand van mijn analyse heb ik een marketingstrategie opgezet. Deze blog is daar een onderdeel van. Ik ga dus zeker geen formulier invullen om uit Google verwijderd te worden. Ik heb juist aan een Search Engine Operator gevraagd hoe ik hogerop in de vindlijsten kan komen.  Daartoe heb ik een wervend en vooral onderscheidend profiel opgesteld:
Ervaren professional in zorg en welzijn, analytisch sterk, gestructureerd werkend, met een uitstekende pen, geoefend en gedreven zanger en bekend met de klapschaats.
Morgen ga ik mijn profiel weer bijstellen. Stilstaan is immers achteruitgang.
Het UWV houdt me zo aardig aan het werk.

zondag 25 mei 2014


ONDER VOETBALSUPPORTERS

 

 
Afgelopen zondag degradeerde voetbalclub RKC uit de eredivisie. De Rooms Katholieke Combinatie moest met twee doelpunten verschil van Excelsior winnen om zich te handhaven. Het werd 2-2.
Ik was er bij. Zoon Arjan verdedigde de afgelopen maanden het doel bij de Waalwijkers.

Na het laatste fluitsignaal vallen de uitgeputte spelers van RKC languit op het zonovergoten grasveld. Degraderen is omvallen en blijven liggen. Denken aan Telstar Uit, 25% minder salaris en vier keer zo weinig aandacht. Het slagveld ligt bezaaid met spelers. Eén speler zit in elkaar gedoken, de handen voor zijn gezicht. Hij wordt getroost door een teamgenoot. Een paar spelers bedanken, niet al te opzichtig applaudiserend, het publiek voor hun aanmoedigingen.
De toeschouwers laten zich traag en gelaten van de tribunes afzakken. Er is geen rumoer en geen gefluit. Berusting overheerst. Misschien dat de woede er thuis pas uitkomt (‘Godverdomme, kut, hedde ge nou weer geen bier koud gelegd?’).
Terwijl de spelers van Excelsior op de andere helft elkaar met champagne bespuiten, druipen de spelers van RKC met hangende schouders het veld af. Voor hen is er geen rol in deze ceremonie, geen aanmoedigingsprijs, geen verwerkingsritueel. Arjan is de enige die de Excelsiorspelers feliciteert.
Ik loop met een leeg gevoel het al bijna lege stadion uit, over het parkeerterrein van de bobo’s naar de glazen hoofdingang, om Arjan op te wachten. Veiligheidsmensen, uitgerust met communicatieapparatuur lopen heen en weer met één hand op het microfoontje, de andere hand op het oortje. De zon schijnt onpasselijk fraai en de Bugatti’s en BMW’s van de sponsoren zien er walgelijk decadent uit. Zouden de sponsoren ook mee degraderen?
Een paar boos uitziende supporters komen in de buurt van de hoofdingang. Vanuit het niets komt er dan opeens een tiental ME’ers aangelopen, in vol gevechtsornaat, met schild en wapenstok. Kalm lopend, als op een zondagmiddagwandeling, maar zeer gedecideerd sluiten ze de hoofdingang af. Niemand mag er meer in of uit. Enkele ME’ers te paard sluiten aan. In Nijmegen heeft een groep NEC-supporters na de degradatie een deel van het stadion vernield. Veiligheidsmaatregelen zijn vaak een antwoord op de vorige ramp.
Er lopen ook supporters die uit zijn op een shirt of een paar keeperhandschoenen.
Aan de zijkant van de glazen ingang staat een drietal fans. Een man van in de vijftig, met getatoeëerde armen, een ronde bierbuik en een rood verbrand hoofd, een vrouw met roodoranje geverfd haar en een dochter, die vanaf de schouders naar de heupen breed uitdijt. Met haar gezicht tegen de ruit loert ze naar de mensen in de hal. Dan kijkt ze naar het groepje supporters tegenover de ME’ers.
‘Jezus, man, wat een mietjes, hou toch oe bakkes! Opflikkeren met die gasten. Oppakken en nooit meer het stadion in’.  Moeder kijkt vanaf een afstandje toe, vader doet of hij er niet bij hoort.
 ‘Doe nu gewoon efkes die deuren open. We moeten alleen Arjan van Dijk hebben. Die loopt daar binnen, da zie ge toch. Of hedde ge een bril nodig, maat?’.
De ME’ers blijven bewegingsloos voor zich uitkijken. Alleen een van de paarden zet zijn achterbenen wat opzij. De agente bovenop trekt wat steviger aan het leidsel.
Aan de andere zijde van de hoofdingang zijn inmiddels enkele spelers verschenen in hun chique hemelsblauwe kostuum. Het drietal loopt erheen en ontdekt Jan Seda, de andere keeper.
‘Zullen we Seda vragen’, oppert de moeder.
‘Die spreekt geen Nederlands’, zegt de dochter. Dan trekt ze toch de stoute schoenen aan.
‘Hé, Seda, do you have…’ , zij steekt haar handen omhoog. Seda gebaart het meisje mee te komen.
Op een stil commando, bijna onopgemerkt, trekt de ME zich weer terug. Ook in hooliganism zou RKC onderaan eindigen. De hoofdingang gaat weer open en de business lounge stroomt leeg. De mensen zijn blij dat ze weer naar buiten mogen. Het lijkt alsof de degradatie alweer vergeten is.
Dan komt ook Arjan naar buiten. Onmiddellijk staat er een jongen van een jaar of 12 naast hem. Die vraagt hem zijn handschoenen. Nog niet zo lang geleden stond Arjan zelf bij FC Utrecht te wachten op een handtekening van de keeper. Hij loopt weer naar binnen om een paar handschoenen te halen.
Het drietal is nergens meer te bekennen. De paarden zijn verdwenen. De supporters zijn naar huis. RKC is gedegradeerd. Het is klote, maar het is waar.

zaterdag 17 mei 2014


IN JE BLOOTJE

  

In de zeventiger jaren was het vak filosofie een verplicht onderdeel voor psychologiestudenten. Het werd mij al snel duidelijk dat de toenmalige filosofen tot een apart slag wetenschappers behoorden. Ze droegen lange baarden of grote hoeden. De lector inleiding tot de wijsbegeerte ontving regelmatig naakt zijn bezoek.
Ik keek daar niet van op. De opdracht van de filosofie is om het denken over het leven te stimuleren en achter iedere vraag weer een nieuwe waarom-vraag op te werpen. Wat zou het dus voor de menselijke communicatie betekenen als je alle uiterlijke verschijnselen en opsmuk zou afleggen? Zonder kleren is er geen verschil tussen een professor en een vuilnisman.
Daartoe uitgedaagd liet ik mijn gedachten gaan over de kwestie van het naakte gastheerschap. Ik vroeg me af, hoe ik mijn bezoek het beste zou kunnen ontvangen. Gewoon direct in mijn nakie en met een pokerface de voordeur van mijn studentenhuis openzwaaien of het bezoek eerst meenemen naar mijn kamer en daar luchtigjes en quasi-onopgemerkt een striptease uitvoeren?
Ik concludeerde al snel, dat het niets voor mij was. Ik was groot geworden in het bedekken of verzwijgen van alles wat maar tot enige opwinding zou kunnen leiden. De verschoning van het ondergoed eenmaal per week deden we in de beslotenheid van de badkamer met de deur op slot. Voor het aantrekken van de zwembroek gebruikten we alleen een eenpersoons kleedhokje of we zaten schichtig kijkend met één hand te sjorren onder een grote badhanddoek, die we met de andere hand krampachtig vasthielden. Het appèl van de lector was aan mij niet besteed.
Nog geen jaar later beleefde ik mijn coming-out.
Een vriend nodigde mij uit voor de sauna. M. woonde op kamers bij een mentor, een leraar van onze middelbare school. Gedrieën liepen we naar de zolder van het huis, waar in een hoekje een houten hokje stond. Enigszins gespannen trok ik mijn kleren uit. In mij streed de neiging tot wegkijken om voorrang met de nieuwsgierigheid naar het lijf van de anderen. Nadat ik geconstateerd had, dat we gelijkwaardig waren geschapen, viel het schaamtegevoel weg en richtte de aandacht zich op het weerstaan van de hitte in het hokje.
Na tien minuten liepen we een etage omlaag. Daar dompelden we ons onder in een badkuip met koud water. Vervolgens ging het verder naar beneden, via de achterdeur de langwerpige tuin in. In het duister paradeerden we in ons blootje het tuinpad op en neer.
Alle spanning was van mij afgevallen. Ik voelde geen enkel schaamtegevoel meer. Integendeel, ik wilde daar nog uren lopen. Het voelde als een bevrijding. Weg met die oude bekrompenheid! Voorbij het stiekeme gedoe! We zouden weer teruggaan naar een natuurlijk leven, zonder opsmuk, zonder poses, zonder maskers.
Het eerste wat ik deed toen ik die avond laat weer terug kwam op mijn studentenkamer, was mezelf  uitkleden. Ik zette Cat Stevens op en liep nog een tijdlang in mijn blootje door de kamer te niksen. Ik wilde het gevoel van bevrijding vasthouden.
Ik was blijkbaar niet de enige die er aan toe was. Bij de Maarsseveense plassen werd een van de ligweides tot naaktstrand bestempeld. Het was een kleine strook gras, door dichte struiken omzoomd en het was er altijd rete-druk. Hoewel er genoeg ligweides waren met een zee van ruimte, wilde ik perse naar het nudistengedeelte om me daar heerlijk bevrijd te voelen tussen al die andere bevrijde mensen.
Vriend T zei me, dat hij er niet over dacht om er heen te gaan. Hij was ervan overtuigd, dat hij daar een eeuwigdurende erectie zou krijgen vanwege alle borsten en billen. Met zo’n vlaggenstok loop je natuurlijk niet op je gemak naar de waterkant.
‘Maar als iedereen bloot is, wordt het juist heel gewoon, dan voel je geen opwinding’, wist ik. ‘Juist als je sommige delen gaat bedekken en andere niet, stimuleer je de spanning’.
‘Ach, klojo, ‘antwoordde hij, ‘ik ben zelf een keer in Zandvoort op het naaktstrand geweest, dus ik weet heus wel hoe dat gaat’.
Ik probeerde hem tevergeefs te overtuigen.
We waren het er wel over eens, dat je in buikligging beter een zwelling kunt krijgen op het plooibare zandstrand aan zee dan op de harde klei rond de Maarsseveense plassen. Ik weet niet of we daarmee tot een filosofisch inzicht waren gekomen.

 

zaterdag 10 mei 2014


HET KOOPCENTRUM VAN DE ACHTERHOEK

 

Afgelopen donderdag raakte ik verzeild in Doetinchem. Dat kan wel eens gebeuren. Zo is het leven nu eenmaal.
Voor wie de liefde voor topografie niet bij geboorte of door opvoeding heeft meegekregen: Doetinchem is de grootste plaats in de Achterhoek, een streek, die – zoals de naam al zegt – ergens achter in ons land in een uithoek ligt.
De Achterhoek is de bakermat van het boerengolf. De fans van voetbalclub de Graafschap noemen zich superboeren en het oerend hard scheuren op een Norton of een BSA vinden ze daar Normaal. Kortom, de geuren  van mest en motorolie komen je van tevoren tegemoet.
Op de website van de VVV Doetinchem lees ik:
‘Doetinchem heeft je veel te bieden. Elke dinsdag is er een waren- en lapjesmarkt. Er zijn uitgebreide winkelmogelijkheden en er is een zeer verscheiden aanbod aan horecagelegenheden.’
Dat klinkt mij als muziek in de oren, zeker als ik lees dat het uitgaansleven in Doetinchem zich sterk heeft ontwikkeld. Het lijken me unique selling points, zoals marketeers dat zeggen.
Liefhebbers van historie komen daarentegen in Doetinchem weinig aan hun trekken. Het hart van de stad is in maart 1945 weggevaagd. Britse bommenwerpers zagen Doetinchem aan voor het Duitse Anholt. 
Als ik arriveer in Doetinchem hangen er dikke grijze wolken boven de stad. Er valt een dreinerige regen uit. Ik sluit niet uit, dat deze omstandigheden mijn indrukken van de stad enigszins negatief beïnvloed hebben. Op het verlaten marktplein voor het vierkante stadhuis hebben de regen en de wind vrij spel. De bedenker van het geometrische meubilair op het plein had waarschijnlijk een ander sfeerbeeld in zijn hoofd, toen hij de houten bankjes ontwierp. De lichtmasten zijn omgeven door driehoekige posterborden, die uitnodigen voor een bezoek aan de show van Marc-Marie Huijbregts. Er is een gele strook papier schuin over Marc-Marie heen geplakt met de tekst: Tip! Moederdagcadeau! Marketeers weten welke doelgroepen ze moeten aanboren.
In het voetgangersgebied klapperen de reclameborden voor mobiele telefoons, dameslingerie en kipschnitzels in de wind. De weinige bezoekers lopen dicht langs de gevels.
Ik stel me de vraag of er op dit moment iets is wat ik heel graag zou willen kopen. Ik kan niets bedenken. Alle ideëen die naar boven komen gaan gepaard met tegenargumenten.
Tussen alle bekende winkelketens vind ik boekhandel Raadgeep  & Berrevoets. Alleen al de naam lijkt mij een omweg waard. Het is behaaglijk rustig in de ruime, lichte winkel van Raadgeep & Berrevoets. Op  de achtergrond klinkt kalme jazzmuziek.
Ik twijfel over een aankoop, maar laat deze achterwege. Ik moet deze avond nog naar een voetbalwedstrijd. Als ik gefouilleerd word, zal het boek onherroepelijk worden ingenomen. Ik zie er namelijk uit, als iemand die vast van plan is om bij het minste of geringste een boek naar de kanis van de assistent-scheidsrechter te slingeren (‘en steek die vlag maar in je reet, flapdrol!’). Welke idioot gaat er met een boek naar een voetbalwedstrijd?
Aan het einde van de  middag loop ik in cirkels rond de kerk om uit ‘het zeer verscheiden aanbod aan horecagelegenheden’ er een uit te kiezen voor een hapje eten. Ik beland in Eethuis ’t Hoekje, een als knus aangeprezen gelegenheid in het hartje van het winkelgebied. Het eenvoudige meubilair is van donker hout en op elk tafeltje staat een enorme lantaarn. Ik word geholpen door een zeer vriendelijke jonge vrouw, die een grote donkere bril draagt. Daar hou ik niet zo van. Ik bedoel van zo’n zwarte bril.
Ik ben er de enige en waarschijnlijk ook de laatste gast. Terwijl ik een kop soep en een broodje vis eet, komt de vrouw vier maal vragen of alles naar wens is. Daarna stapelt ze buiten op het terras de natte stoelen op elkaar en legt deze met een meterslang kabelslot vast. De grote lantaarns worden binnen gebracht.
Tegenover ’t Hoekje gaan de winkels dicht. Als de jonge, mollige vrouw van chocolaterie Mousset het slot van de voordeur tweemaal heeft omgedraaid, controleert ze in de donkere, spiegelende ruit nog even of haar haar goed zit. Ze strijkt een paar lokken opzij en loopt de straat uit.
De avond kan beginnen.

maandag 5 mei 2014

DAGSLUITING
 
 
Het is 23.30 uur. G is al naar bed. De poes ligt opgerold op zijn kussentje op de bank te ronken. Ik  zet de pc uit en leg mijn mobiel aan het infuus. Met twee lege glazen en een kopje in mijn hand doe ik alle lampen uit. Dan breng ik het vaatwerk naar de keuken, haal een broodje uit de vriezer en doe de voordeur op het nachtslot.
Op deze manier sluit ik de dag af. Met elk apparaat dat ik uitdoe, wordt het stiller. Met elk licht dat ik doof wordt de wereld kleiner. Alom heerst er nu rust in huis. Ook buiten is het stil.
Er is weer een dag voorbij. Is dat erg? Of juist prettig?
Het einde van de dag is eigenlijk een bijzonder moment, een gelegenheid om bij stil te staan. Maar meestal doe ik dat niet. Dan loop ik nog te denken aan een vervelende gast bij Pauw en Witteman, aan de beperkte houdbaarheid van biologische wijnen of aan onze nieuwe vaatdoek, die verdacht veel lijkt op een meisjesonderbroekje van vroeger.
In de hoogtijdagen van de radio werd het einde van de dag gemarkeerd. Een geestelijke sprak een epiloog of dagsluiting uit. Na het laatste programma klonk het Wilhelmus. De AVRO eindigde met een eigen afscheidslied, gezongen door Bob Scholte:
Goedenacht en welterusten, welterusten, goede nacht
De AVRO gaat nu sluiten, haar dagtaak is volbracht
http://youtu.be/VHtIhd0Az2c (het geluid start na 18 seconden).
 
De treden kreunen zachtjes onder mijn voeten als ik in het halfduister naar boven loop. Het aantikken van de lichtknop in de badkamer weerklinkt door de holle stilte.
Sommige mensen spelen vlak voor het slapen gaan nog Wordfeud. Anderen kijken vanuit bed een thriller op tv of liggen nog te whatsappen tot het laatste moment. Voor hen geen dagsluiting of bezinning.
Katholieken baden vroeger de rozenkrans voor het slapen gaan, met de knieën op het zeil of de kokosmat en de ellenbogen leunend op een stoel. Heeft er al iemand een moderne, mindfull variatie hierop bedacht?
Ik heb de afgelopen tijd meegeschreven aan een website, waar mensen met slaapproblemen kennis en vaardigheden leren om hun slapeloosheid aan te pakken: http://slaapproblemen.mirro.nl  Het advies is om te ontspannen en geleidelijk tot rust te komen voor je daadwerkelijk gaat slapen. De rozenkrans hebben we niet aanbevolen.
 
Nadat ik mijn tanden heb gepoetst, doe ik tot slot  het licht op de overloop uit. Met gemak vind ik in het donker de slaapkamer en het bed. De rode cijfers van de wekker staan op 23:39. Ook mijn dagtaak is volbracht.
Al snel nadat ik het bed in ben gestapt voel ik de slaap komen. Mijn hoofd wordt zwaar, mijn lichaam loom. Ik kan gedachten niet meer vasthouden. Ze schieten weg. Beelden komen onverwachts voorbij. Ik probeer te volgen hoe het inslapen verder verloopt, maar dat lukt niet. Als ik mijn aandacht erop richt, is mijn geest weer actief en trekt de slaap zich weer terug. Laat ik me meevoeren, dan weet ik niet meer wat er gebeurt. ‘Meevoeren’ is wel een goede term. Ik wacht af tot ik meegenomen word. Ik ga er niet op af, maar geef passief me over. Ik zak weg.
Laatst kwam voor het eerst van mijn leven vlak voor het inslapen de vraag in mij op of ik nog weer wakker zou worden. Aanvankelijk voelde dat als een angstige gedachte. Maar in tweede instantie zag ik er iets moois in. Een einde zonder pijn of gedoe, tenminste niet voor mijzelf. Het woord inslapen wordt niet voor niets als eufemisme voor doodgaan gebruikt.
Vreemd hoe zo’n vraag ineens opkomt.
Misschien komt het wel weer door  Brahms. Die houdt mij wel meer bezig. Brahms componeerde zijn overbekende Gute Abend, Gut’Nacht op een volksgedicht uit Des Knaben Wunderhorn. In dit wiegelied komt de volgende regel voor:
Morgen früh, wenn Gott will, wirst du wieder geweckt (2x).
Ik ga dit lied maar niet voor mijn kleinkinderen zingen, als zij naar bed gaan. Dan loop ik  het risico dat ik nog moeilijke vragen moet beantwoorden. Wat is dat voor figuur, die Gott? En, nog lastiger te beantwoorden, wat wil ie eigenlijk? Ik zou dat als kind wel willen weten voor ik ga slapen.