zondag 10 augustus 2014



HET WASSENDE WATER[i]


Watermanagement. Wij Nederlanders staan er wijd en zijd om bekend. Is er ergens ter wereld een dijkdoorbraak of overstroming, dan wordt Nederlandse expertise ingevlogen. Wij zijn groot geworden in de strijd tegen het water. Een deel van ons land ligt onder het zeeniveau, tot verbazing van niet-Nederlanders. Alle prognoses over de stijgende zeespiegel, die ervoor zal zorgen dat Amersfoort over enige tijd aan zee ligt, verontrusten ons niet. Buitenlanders kijken in Nederland hun ogen uit naar al die parallelle slootjes en vaarten tussen de weilanden. Watergemalen zijn een attractie geworden.
Watermanagement is zo’n onwrikbaar onderdeel van ons imago, dat, toen er eind negentiger jaren een zinvolle tijdsbesteding werd gezocht voor onze a.s. koning, de keuze als vanzelf op waterbeheer en sanitatie viel.
De laatste jaren staan we in Nederland weer voor nieuwe uitdagingen. Door de klimaatverandering hebben we ‘s zomers in toenemende mate te maken met wolkbreuken en stortbuien. De Deltacommissie is weer nieuw leven ingeblazen. Zij concludeerde onlangs dat er in Nederland teveel asfalt en stenen liggen waardoor bij heftige buien het water niet meer weg kan. Dat zorgt voor ondergelopen straten en natte kelders. De commissie waarschuwt dat de wateroverlast in de toekomst alleen nog maar zal toenemen.
De dreiging van een nieuwe zondvloed is onze straf voor de opwarming van de aarde.
Het is niet alleen maar goed wat er van boven komt.

Op maandag 28 juli ontlaadde zich boven Utrecht en omgeving een wolk met een enorme plens water. Een deel van het winkelcentrum Hoog-Catharijne werd wegens lekkage gesloten. Er kwam zoveel omlaag dat het niet meer met een emmertje hier en een bakje daar was op te lossen. De Oude Gracht trad bijna buiten haar oevers. Dat enkele kroonjuwelen van de stad gevaar liepen, daar konden we nog mee leven. Erger voor ons was, dat het grondwater in onze woonomgeving dusdanig gestegen was, dat het water geleidelijk maar aanhoudend onze kelder binnen kwam siepelen. Het liep door kieren en naden, aanvankelijk in kleine hoeveelheden die nog bij te dweilen waren. Maar juist toen de ergste stortvloed voorbij was en de redding nabij leek, kwam het water, onduidelijk vanuit welke kant, in golven naar binnen stromen.
Sinds we dit huis bewonen, vanaf 1985, is de kelder twee keer eerder ondergelopen. Eenmaal was de brandweer in de straat om kelders leeg te pompen. Bij de aanblik van de 6 centimeter die in onze kelder stond was het schampere antwoord: ‘Dat blijft er ongeveer over als wij ons werk gedaan hebben’.
Dus restte ons, toen en vorige week, niets anders dan dweilen, dweilen, en dweilen. Honderden emmers vol, tot onze beenspieren overbelast raakten bij het bukken, onze ruggen pijn gingen doen bij het sjouwen van de emmers, en het vel van onze handen kapot ging door het wringen (vervloekt zij de firma die de gele huishoudhandschoentjes alleen maar in damesmaten op de markt brengt).
Ik zag ondertussen beelden voor me van meubels die ronddreven in huizen en aardappels die wegrotten op ondergelopen akkers. De gedachte dat het het ongeluk je altijd nog erger kan treffen, werkt verzachtend.
Nu is alles weer opgedroogd. De spullen staan op stenen of houten verhogingen. Gestimuleerd door de Deltacommissie hebben we een rampenplan uitgewerkt (werktitel: Après nous le déluge). Nieuwe materialen zijn aangeschaft, verantwoordelijkheden beschreven en roosters voor piketdiensten opgesteld.
Watermanagement. Het is onze lust en ons leven.
En nu moet ik naar de wc.




[i] Met dank aan streekschrijver Herman de Man, die deze titel voor een van zijn boeken bedacht.

zaterdag 2 augustus 2014

RETIRE, RETIRE
 
 
King Arthur is een semi-opera van de Britse componist Henry Purcell (1659-1695).
Het is een warrig verhaal over oorlogen, het liefdesleven van herders en een cold genius die door Cupido tot leven gewekt wordt. De moraal is: lang leve Britannia, het mooiste land op deze aarde.
In het Tsjechische Bechyne studeer ik samen met vijftien andere zangers en een klein orkest de opera in. Na een week voeren we het stuk twee dagen achter elkaar op in de koningszaal van het 15e eeuwse kasteel aldaar. De koorzangers nemen ook de solopartijen voor hun rekening.
De deelnemers zijn doorgewinterde musici uit alle delen van de wereld. Ze zingen al jaren op hoog niveau of spelen in de betere amateurorkesten. Sommigen hebben musicologie gestudeerd of het conservatorium afgerond. Het gaat tijdens het instuderen dan ook om de details. Om de dynamiek binnen een woord of een lettergreep of om de uitspraak van de -r- in het 17e-eeuwse Engels. De docenten hebben tevoren dé Purcell-deskundige in Nederland geraadpleegd over de muziek en de teksten. Dat kan niet verhinderen, dat diverse deelnemers hun eigen mening over de interpretatie naar voren brengen.
Ik ben een geoefend amateur-zanger, maar reken mijzelf niet tot deze categorie van ingewijden en bijna-professionals. Niettemin heb ik uit vrije wil en met mijn volle verstand voor dit project gekozen. De leiding had mij een rol toebedeeld in twee korte trio’s. In een vlaag van ongepaste ambitie had ik toen gevraagd of ik ook een solo-aria voor mijn rekening mocht nemen. Hetgeen boven mijn verwachting direct gehonoreerd was. Gedurende deze achtdaagse komt echter aanhoudend de vraag in mij boven of ik, om in muzikale termen te blijven, niet te hoog heb ingezet.
Ik zing de aria Ye blustering brethren of the skies. De god Aeolus kalmeert in dit lied de tierende winden (retire, retire), zodat Britannia, de koningin van de eilanden, uit de zee kan oprijzen. De aria begint met een groot aantal zestiende nootjes in de violen, een druk en onrustig allegro, dat geleidelijk, als de winden bezworen zijn, overgaat in een andante: serene and calm, and void of fear, the queen of islands must appear. Luister maar hoe bas Petteri Salomaa dit zingt:
http://youtu.be/6fhs6C_UJy4?t=1h1m56s (aria loopt door tot 1:05:15).
Na de eerste repetitie zegt de conductor dat hij mijn klank mooi vindt, maar  dat ik het tempo eruit haal door regelmatig net na de tel in te zetten. Gaandeweg de week krijg ik steeds meer complimenten, maar het stuk moet wel steeds opnieuw geoefend worden. Mijn collega zangers loven mij in die mate, dat het voelt alsof ik zonder dat de eindstreep niet zal halen.
Een aparte uitdaging is mijn eerste inzet. Je kan nog zo mooi zingen, maar als je een tel eerder of later inzet, gaat de aria de mist in. Het orkest gaat door, het is geen piano die een paar tellen kan inhouden. De aria begint in de tweede tel van de 12e maat. Het orkest komt in die maat op een c-groot akkoord uit en dat zou mijn houvast moeten zijn. Door al dat gefiedel haal ik die c er echter niet uit, dus ik ben er toe veroordeeld om vanaf het begin 12 maten straf mee te tellen.
Bij de uitvoering sta ik aan het begin achter in de zaal, als een polsstokspringer voor zijn aanloop. Ik moet door het middenpad opkomen. Op de afgesproken tel ben ik vooraan en begin ik met het temmen van de winden. Het voelt alsof ik het orkest aan het kalmeren ben.
 
 
 
Dan zie ik op de eerste rij een jonge vrouw met een wereldwijd decolleté. Dat helpt niet als je de boel tot bedaren moet brengen. Ik richt mijn ogen op de duistere achterzijde van de zaal.
Als iemand zegt dat je niet aan een roze olifant moet denken, komt dat beest je vanzelf voor ogen. Zo komt ook in dit geval het beeld van de boezem onherroepelijk terug.
Ik concentreer me op het tellen. Ondertussen ben ik, begeleid door de  blokfluiten, aangekomen in het andante: serene and calm. Ik begin er van te genieten. De laatste maat houd ik wat langer aan. Daarna zet onze voorklapper het applaus in.

zaterdag 19 juli 2014

De kunst van het wachten





Voor je begint met het verder lezen van dit blog, wil ik je vragen om vijf minuten te wachten. Blijf achter je pc of tablet.

Bedankt voor het wachten! Hoe beviel het?
Ooit stonden wij vier uur lang te wachten in regen en kou op de flanken van de Galibier om de renners van de Tour de France langs te zien komen. Wij wisten dat het zo lang zou duren en we hadden er zelf voor gekozen. Het was wachten op een bijzondere gebeurtenis, dus de wachttijd was nog dragelijk.
Ergens blijven tot iemand of iets komt past niet meer bij deze tijd. Wachten voor een kassa, voor het stoplicht, voor de wc (of op de wc), in de telefonische wachtrij, ik heb er een bloedhekel aan en velen met mij. Wachten is tijd verdoen, die je ergens anders voor kunt gebruiken. Bijvoorbeeld om te barbecuen, naar sport te kijken, te feesten en te genieten. Nu. Als je wacht tot je gepensioneerd bent, kan je het misschien wel niet meer doen.
Helaas moeten we ons af en toe aanpassen. Op vakantie bijvoorbeeld.
Zo moesten wij ooit in het dorp Vrysses op Kreta een taxi nemen naar Vamos, een gehucht dat alleen op deze wijze te bereiken was.
Op het centrale kruispunt in Vrysses was er een benzinepomp / annex loodgieter / annex constructiebedrijf. Hier runde men ook de enige taxi van het dorp. Die auto was echter naar Chania  en het was onbekend wanneer ie weer terug zou zijn. Geen nood. De monteur, een man met een snor  waarvan de punten omhoog gekruld waren, verkocht ook koffie en broodjes. Het was midden op de dag, we namen het er heerlijk van en lieten ons vermaken door het dorpse leven. Er klonk weemoedige muziek die me deed denken aan Stroei Voei uit Ja Zuster, Nee Zuster (‘Hij zingt over zijn vaderland’. ‘Hoe weet u dat?’. ’Dat voel ik’.).
Na een paar uur echter hadden we het dorpsleven  wel gezien. Er stopte een auto bij het bedrijf, maar dat bleek een handelaar in walnoten te zijn. De vrouw van de monteur stopte ons wat toe. Een uurtje later schonk ze nog een glaasje raki. Ze zei er iets bij wat we niet verstonden. Het klonk als: ‘geniet van het leven!’, maar het had even goed  ‘wel graag afrekenen!’ kunnen zijn. Het was onze eerste dag in Griekenland, dus met de taal wilde het ook nog niet zo vlotten.
We belden eens naar onze eindbestemming, maar daar werd niet opgenomen. We informeerden in een bar, maar het meisje daar kon ons ook niet helpen. De schaduwen in de straat werden langer en langer.
Opeens reed er een taxi voorbij. De vrouw van de monteur gilde over straat. De auto keerde om en verloste ons uit ons lijden.

Mensen, die het goed met ons voor hebben, menen dat wachten ook kansen biedt. Je kunt je  ontspannen en helemaal tot jezelf komen. Je kunt stilstaan bij de vraag of je met het goede bezig bent. Wachtlijsten in de zorg kunnen helend werken. Soms gaan klachten vanzelf weer over. Huisartsen hebben dit tot methodiek verheven. Watchful waiting wordt dat genoemd.
Filosofen zeggen dat wachten bijdraagt aan rust en creativiteit.
Daarom ben ik sinds kort in training om mijn wachtpotentie te vergroten. Ik sta op wachtgeld, dat helpt. Inmiddels kan ik al intens genieten van een rood stoplicht. Ik overweeg mij aan te melden bij de brandweer. Wachtlopen lijkt me ook wel wat. Ik hou van wandelen, dus dan kan ik twee bezigheden in dezelfde tijd combineren! Of is dat weer het oude efficiencydenken?

Mocht je benieuwd zijn naar mijn volgende blog, dan moet je nog even wachten. Vanaf zondag ben ik in Tsjechië voor een zangtiendaagse. De eerstkomende bijdrage is op zijn vroegst over veertien dagen te ver-wachten.

zaterdag 12 juli 2014


SNELLE PIETJE

 

Voordat ik ga slapen, pak ik mijn kleren voor de volgende dag. Ik leg een schone onderbroek, een paar sokken, een overhemd in de kamer naast onze slaapkamer. Maar niet mijn broek. Die leg ik op de stoel naast mijn bed. In mijn kontzak zit namelijk mijn portemonnee en ik ken het verhaal van mijn buurman. Die had ooit een inbreker in zijn huis. Terwijl hij op één oor lag te ronken, pikte de dief beneden het geld uit buurman’s broek. Daarom hou ik mijn broek altijd bij mij. Dat deed ik ook die ene keer, dat wìj bezoek kregen van een inbreker.
Op een middag in september was ik alleen thuis. Ik lag met 39 graden koorts in bed en voelde me zo ellendig dat ik alleen maar in staat was om te liggen. Een radiootje naast mij bracht het nieuws van de ramp met de veerboot Estonia.
Er werd aangebeld. Dat kan op dit uur alleen maar iemand zijn die mijn schoorsteen wil vegen, dacht ik. Of die mijn meubels opnieuw wil bekleden. Ik bleef liggen. Tien minuten later ging de bel opnieuw. Zou dat dezelfde verkoper zijn? Daarna hoorde ik het krakende geluid van scheurend hout.
Zo slap als ik was, zat ik toch direct overeind in bed. Ik luisterde gespannen en hoorde nogmaals het gekraak van het hout.
Dat lijkt onze voordeur, dacht ik en als dat klopt, dan is er iemand bezig om in te breken! Het zal toch niet! Laat het een geluid bij de buren zijn, ik ben ziek.
Toen hoorde ik onze voordeur opengaan. Een golf van angst en paniek spoelde over mij heen. Ik moet iets doen, ik moet er naar toe, maar ik lig hier in niets dan een onderbroekje, dat helpt niet mee als je fors wil optreden, en ik heb vandaag geen honkbalknuppel bij de hand, alleen maar een klerenhangertje, dus die indringer ziet me komen in mijn onderbroekje met mijn klerenhangertje  en wie weet heeft hij wel een of ander wapen, maar ik moet nu wel iets doen.
Ik trok mijn kamerjas aan, opende met bonzend hart en slappe knieën de deur en liep, het koord van de jas nog vastmakend, naar beneden. Halverwege de trap zag ik in de hal een blonde man staan. Hij was een jaar of veertig en hij had een schroevendraaier in zijn hand.  Op dat moment was het geen anonieme indringer meer, geen gevaarlijk sujet, geen engerd uit een film.
‘Godverdomme, klootzak, idioot..’ begon ik te schreeuwen. Woede helpt je over je angst heen.
De man keek geschrokken op. Terwijl hij zich snel omdraaide en naar buiten schoot, nam hij mijn gevloek over: ‘godverdomme, teringlijer!’. Het werd op deze manier een stuk voor twee vloekende heren.
Zijn vlucht maakte mij sterk. Ik was in twee sprongen beneden. Daar zag ik dat de man buiten zijn fiets pakte. In alle haast om weg te komen, struikelde hij nog en viel half over de fiets heen, zijn schroevendraaier in zijn hand. ‘Godverdomme’, hoorde ik opnieuw. Misschien had ik hem op dat moment kunnen pakken. Ik had echter zonder nadenken de achtervolging ingezet, niet wetend of ik hem wilde verjagen of oppakken. Hij maakte van mijn kleine aarzeling gebruik en schoot er alsnog met zijn fiets vandoor. Godverdomme, dacht ik.
Niet veel later arriveerde de door mij gealarmeerde politie. Hoewel de deur al uitnodigend open was gezet, werd er beleefd aangebeld. De twee agenten hadden nauwelijks aandacht voor de kapotte deur en al helemaal niet voor mij in mijn kamerjas. Zij inspecteerden direct ramen en deuren op inbraakrisico’s en adviseerden een pakket preventieve maatregelen. Mijn koortsige hoofd begon weer op te spelen.
Enkele dagen daarna, toen de koorts gezakt was, heb ik op het politiebureau een dikke ordner met honderden foto’s van inbrekers doorgeploegd. Ik concentreerde me op de blonde types. Op elke pagina zag ik wel een man die leek op mijn tegenstrever en bij elke volgende pagina dacht ik: ‘dit is ‘em’.  Aan deze database waren helaas geen geluiden verbonden, bijvoorbeeld van vloeken en schelden. Onverrichter zake keerde ik naar huis terug.
Jaren later las ik in het Stadsblad, dat Snelle Pietje, een drugsverslaafde inbraakrecidivist, weer eens was opgepakt. Er stond zowaar een foto bij het artikel.
Dat was ‘em dus. De man die zo razendsnel over zijn fiets kon struikelen.

zondag 6 juli 2014


RECHTDOOR NAAR SCHOOL EN KANTOOR

 

Als ik ‘s morgens tussen acht en half negen naar mijn werk fiets, kom ik door Tuindorp heen.
Dat is een dertiger jaren wijk in Utrecht, met keurige eengezinswoningen, voortuintjes, erkers en glas-in-lood boven de ramen. De wijk is populair bij hoger opgeleide jonge stellen met kinderen.
Tussen acht en half negen gaan de deuren en tuinpoorten open en stromen van alle kanten ouders met hun kinderen naar buiten. Dan worden de prinsen en prinsesjes naar school gebracht.
Moeders met brede derrièrres brengen traag de kinderbakfiets op gang. Vaders in krijtstreeppakken, de haren nog vochtig van de douche, manen hun kinderen op te schieten, de smartphone rinkelt. Autoportieren staan open om het kroost in te laden. Moederkloeken rijden midden op de weg om de meefietsende kinderen te beschermen. Andere moeders rijden met zorgen in hun ogen 50 meter achter hun kroost en gillen bij elk kruispunt ‘Uitkijken!’.
Altijd staat ergens wel een kind huilend op de stoep, omdat de juichpet niet op mag of omdat de roze haarband kwijt is. In de huiskamers flitsen de tekenfilms nog over het wandvullende tv-scherm.

Deze week zag ik op de Sjollemalaan een jonge vader fietsen met een klein jongetje in het voorzitje en iets groter peutermeisje in het zitje achter. Tien meter voor hem uit reed een meisje van een jaar of zes op een roze fietsje.
Hoe het opeens gebeurde weet ik niet. Misschien omdat de vader over een ronde verkeersdrempel reed. Misschien dat een van de peuters een onverwachte beweging maakte. Misschien dat de snelheid gewoonweg te laag was. Midden op de verkeersdrempel viel de fiets plotseling om. Het was een soort sur-place-val. Hij kapseisde, zoals onze kat zich regelmatig op zijn zij laat vallen als hij languit op het tapijt wil gaan liggen.
Er ontrolde zich voor mijn ogen een smartelijke scene.
Het jongetje was uit het voorzitje gekukeld. De veiligheidsriemen hadden hem niet tegengehouden. Misschien had hij zichzelf  voor de val al onder de riemen uitgewurmd. Hij lag keihard huilend op zijn rug op straat. Het kind achterop lag, nog altijd in het stoeltje, met het onderbeen geklemd onder het achterwiel. Het voorwiel stak omhoog en draaide tergend langzaam rond.
De vader stond in een mum van tijd weer overeind. Hij aarzelde even naar welk van de krijsende kinderen hij het eerst zou gaan. Toen zette hij de fiets weer overeind en boog zich over het meisje achterop.
‘Het valt wel mee’, probeerde hij te sussen.
Het leek nu of de kinderen nog harder gingen huilen.
Zijn eerste zorg was om de rust te doen weerkeren en de schade te beperken. Dat zou ik ook doen. Je gaat niet midden op straat naast je kind zitten om het uitgebreid over zijn bol te aaien: ‘huil maar lekker, je zult vast wel pijn hebben’. Dat kan altijd later nog.
Met de fiets in de ene hand tilde hij met zijn andere hand moeizaam en wat onorthodox het jongste kind op.
‘Kom, kom, kom’, zei hij met een zachte, kalmerende stem. Meteen daarop keek hij om naar de oudste dochter die twintig meter verderop midden op de weg was blijven staan. ‘Laura, ga aan de kant staan asjeblieft!’, riep hij haar boos toe.
Ondertussen had ik mijn fiets neergezet. Ik vroeg me sterk af of ik ook maar iets voor de huilende kinderen zou kunnen betekenen. Of voor de vader, die deed alsof het een gewone morgen was en zijn kinderen regelmatig van de fiets afkukelen.
‘Kan ik iets voor je doen?’.
 ‘Nee, dat hoeft niet hoor, het gaat wel weer’. Hij leek vooral zichzelf toe te spreken. Of hij was al aan het repeteren hoe hij het voorval aan zijn vrouw zou uitleggen.
Ik vervolgde mijn weg. De kinderen huilden nog steeds onbedaarlijk.
Toen ik langs de oudste dochter fietste, schreeuwde zij naar haar vader: ‘Pap, wie komt ons vanmiddag ophalen?’

zondag 29 juni 2014


OVERNACHTING IN U HANECKI

 
G en ik wandelen een week lang door Neder-Silezië, een dunbevolkte streek in het zuidwesten van Polen. Het landschap is een combinatie van Limburgs heuvelland en Ardense rivierdalen, met kleine dorpjes en gehuchten, die in veel opzichten lijken op Nederland in de vijftiger jaren. Tot het einde van de tweede wereldoorlog behoorde deze streek tot Duitsland. Maar daar merk je niets meer van, zo op het eerste gezicht.
Op de zesde wandeldag bereiken wij pension U Hanecki in het gehucht Barcinek, niet ver van het stadje Jelenia Gora. Het buitenhuis ziet er verouderd en verveloos uit. Daar kijken we niet van op. We wandelen dagelijks langs ingedeukte brugleuningen, roestige verkeersborden en kapotte bankjes. In de dorpjes zien we de tweedehands auto’s die wij Nederlanders op de automarkt in Utrecht van de hand hebben gedaan, maar ook paarden met houten wagens. Kippen scharrelen langs de kant van de weg. Een dorpswinkeltje valt aan de buitenzijde niet op, hoogstens door een geopende deur, waar kinderen op de stoep zitten. Binnen staan de moeders in de rij achter de toonbank voor een assortiment westerse producten. Een transistor radio naast een kruisbeeld laat Amerikaanse hiphop horen.
In U Hanecki gaat de breed gebouwde zoon des huizes ons voor naar de eerste etage. Hij opent de deur van een kamer van zo’n vijf bij zeven meter. Het enorme vertrek ziet er uit als een eind 19e eeuwse pronkkamer. In de hoek staat een witbetegelde Kachelofen die tot het plafond reikt. De wanden hangen vol met schilderijen: arcadische taferelen, bijbelse scenes, poserende vrouwen. Het meubilair is van donker eiken. De bedden, het dressoir, de klerenkast, de stoelen en de hoge zitbank bij de eettafel, alles lijkt op het meubilair dat boven in het huis van mijn opa en oma (getrouwd in 1897) stond. Overal staan kopjes, wandborden, beeldjes, doosjes en andere snuisterijen. Op de canapé liggen kussens waar in het Duits een spreuk op geborduurd is. In de boekenkast staan Duitstalige boeken in gotisch schrift.
Bij een kopje thee laat ik mijn ogen de kamer rondgaan. Dan komt opeens de gedachte op, dat al dit meubilair waarschijnlijk is achtergelaten door een Duitse familie die na de oorlog gedwongen werd om halsoverkop met medeneming van een paar bezittingen hun huis te verlaten om plaats te maken voor een Pools gezin.
De kamer verandert op slag van sfeer.
Twee dagen daarvoor zaten we in Plawna aan het ontbijt met een Duits echtpaar en een nicht van de man. Hij was voor de oorlog geboren in Lubomierz (Liebenthal), de nicht in Plawna (Schmottseifen). Hun families hadden in 1947 hun huis met bezittingen moeten achterlaten. Voor Polen was dit een begin van herstelbetalingen. Bovendien hadden de Duitsers in 1939 op dezelfde wijze Polen uit hun huizen gezet.
De nicht was in Keulen terechtgekomen, het gezin van de man had zich net over de nieuwe grens in het Oost-Duitse Halle gevestigd, hopend op een spoedige terugkeer naar Silezië. Nadat het ijzeren gordijn om Oost-Duitsland was opgetrokken konden de familieleden elkaar niet meer ontmoeten.
Nu komen de ouderen terug, op zoek naar hun geboorteplaatsen en naar de dorpen van hun voorouders. Zij hebben een kaart van Silezië, waar alle plaatsen met de Duitse naam vermeld staan. Het is geen vooroorlogse kaart. Dit soort kaarten van voormalige Duitse gebieden in Polen en Tsjechië worden in Duitsland verkocht. Er is een markt voor.
Als wij vertellen over onze wandeltocht en over wandelpaden die plotsklaps midden in een akker eindigen, vertelt de man dat in Oost-Duitsland destijds vele wandelpaden zijn verdwenen door de grootschalige landbouw. ‘Nur der Rennsteig nicht!’. De man windt zich er nog zichtbaar over op. Zijn vrouw sust: ‘Das war lange her’. Ofwel,  genoeg over dat Oost-Duitse verleden. Ze weet wat er kan gebeuren als de man zich opwindt.
Als ik in U Hanecki in het antieke bed stap, bezeer ik me aan de houten rand, die uitsteekt boven het dieper liggende matras. Het dekbed is niet 19e eeuws. Het is gemaakt voor koude winters. Dat wordt een warme nacht. Het is maar goed dat de Kachelofen niet aan is.

maandag 2 juni 2014


SUCCESVOL NAAR WERK

 

Nog net op de tijd voor de economische crisis van de tachtiger jaren vond ik mijn eerste baan. Ik ging aan het werk en na een aantal jaren kwam de economische groei langdurig terug. De golven van de economische hoogconjunctuur duurden echter net niet lang genoeg om ongeschonden mijn pensioen te halen. Een paar jaar voor de finish ben ik nu werkloos geworden, zij het part-time. Ik  loop sinds enkele maanden met één been in de WW. Al was het maar met één teen geweest, het Uitkeringsinstituut Werknemers Verzekeringen vraagt van elke werkloze hetzelfde. Elke week een sollicitatieactiviteit uitvoeren, bijvoorbeeld. Ook al is er in mijn branche in geen velden of wegen een geschikte functie te bekennen.
Het UWV nodigde me daarnaast uit om deel te nemen aan Succesvol naar werk, een training voor 55-plussers. Uitnodigen is hier een eufemisme voor verplichten. De cursus maakt onderdeel uit van een pakket van maatregelen van minister Asscher om het groeiend aantal oudere werklozen aan een baan te helpen. Hij heeft er 67 miljoen voor uitgetrokken. Dat vraagt om een tegenprestatie.
Zo zit ik nu iedere woensdagmiddag met negen steuntrekkende leerkrachten, financieel dienstverleners en vpro-programmamakers mijn baanverwervende capaciteiten te verhogen.
Iedere deelnemer zet tijdens de bijeenkomsten zijn beste beentje voor. Het is niet duidelijk of men dat doet om een baan te krijgen of om een strafkorting te vermijden. Er worden wel eens kritische vragen gesteld. Of, gelet op de hoge jeugdwerkloosheid, de beschikbare banen niet beter aan jongeren gegund kunnen worden. Of het überhaupt zin heeft om ons aan een baan te helpen, want als dat bij een van ons lukt, blijft toch weer iemand anders werkloos. De begeleider van het UWV beantwoordt dit soort vragen rustig. Het is een oudere, aimabele Limburger. Hij is ervaringsdeskundige, want hij was enige tijd werkzoekend voordat hij als begeleider bij het UWV aan de slag kon. Helaas kan niet elke werkloze als UWV-consulent aan het werk. Dan zou er niemand meer zijn om te begeleiden.
De rode draad in de training is Personal Branding. Beschouw jezelf als een merk en zet een consistent imago in de markt neer. Laat weten wat je toegevoegde waarde is, wat je ambities zijn, hoe jij je onderscheidt van anderen en welk concurrentievoordeel de werkgever met jou kan behalen. Zet social media hierbij in en ontwerp een eigen website. Laat je begeleiden door een topcoach die jou de tools in handen geeft en je de laatste tips en tricks bijbrengt. En oefen met de elevator pitch. Als jij in een halve minuut jezelf goed kunt presenteren, stap je met een nieuwe baan uit de lift.
Dat er op dit terrein nog veel werk verricht moet worden, bleek wel uit de reacties in onze groep.
‘Dit is iets voor jonge mensen. Die zijn opgevoed met de boodschap dat alles wat zij doen fantastisch is. Wij moesten onze ouders en meesters volgen. Wij hebben niet geleerd om voor onszelf op te komen en op eigen gedachten te vertrouwen’.
Volgzaam als ik ben, ben ik niettemin direct begonnen om mijzelf aan een sterkte-zwakte-analyse te onderwerpen. Ik heb in kaart gebracht wie ik ben, wat ik kan en wat ik wil. Ik heb al mijn interesses ingevuld in de systemen van het UWV. Het was wel een beetje jammer, dat veel van mijn belangstellingsgebieden door het systeem beoordeeld werden als ‘weinig kansrijk’. Er kwam in de branche Cultuur nog wel een enkele vacature naar boven voor een redacteur van technisch voorlichtingsmateriaal. Dat zijn mensen die moeten uitleggen hoe je een wasmachine of smartphone moet bedienen.
Aan de hand van mijn analyse heb ik een marketingstrategie opgezet. Deze blog is daar een onderdeel van. Ik ga dus zeker geen formulier invullen om uit Google verwijderd te worden. Ik heb juist aan een Search Engine Operator gevraagd hoe ik hogerop in de vindlijsten kan komen.  Daartoe heb ik een wervend en vooral onderscheidend profiel opgesteld:
Ervaren professional in zorg en welzijn, analytisch sterk, gestructureerd werkend, met een uitstekende pen, geoefend en gedreven zanger en bekend met de klapschaats.
Morgen ga ik mijn profiel weer bijstellen. Stilstaan is immers achteruitgang.
Het UWV houdt me zo aardig aan het werk.