zaterdag 19 juli 2014

De kunst van het wachten





Voor je begint met het verder lezen van dit blog, wil ik je vragen om vijf minuten te wachten. Blijf achter je pc of tablet.

Bedankt voor het wachten! Hoe beviel het?
Ooit stonden wij vier uur lang te wachten in regen en kou op de flanken van de Galibier om de renners van de Tour de France langs te zien komen. Wij wisten dat het zo lang zou duren en we hadden er zelf voor gekozen. Het was wachten op een bijzondere gebeurtenis, dus de wachttijd was nog dragelijk.
Ergens blijven tot iemand of iets komt past niet meer bij deze tijd. Wachten voor een kassa, voor het stoplicht, voor de wc (of op de wc), in de telefonische wachtrij, ik heb er een bloedhekel aan en velen met mij. Wachten is tijd verdoen, die je ergens anders voor kunt gebruiken. Bijvoorbeeld om te barbecuen, naar sport te kijken, te feesten en te genieten. Nu. Als je wacht tot je gepensioneerd bent, kan je het misschien wel niet meer doen.
Helaas moeten we ons af en toe aanpassen. Op vakantie bijvoorbeeld.
Zo moesten wij ooit in het dorp Vrysses op Kreta een taxi nemen naar Vamos, een gehucht dat alleen op deze wijze te bereiken was.
Op het centrale kruispunt in Vrysses was er een benzinepomp / annex loodgieter / annex constructiebedrijf. Hier runde men ook de enige taxi van het dorp. Die auto was echter naar Chania  en het was onbekend wanneer ie weer terug zou zijn. Geen nood. De monteur, een man met een snor  waarvan de punten omhoog gekruld waren, verkocht ook koffie en broodjes. Het was midden op de dag, we namen het er heerlijk van en lieten ons vermaken door het dorpse leven. Er klonk weemoedige muziek die me deed denken aan Stroei Voei uit Ja Zuster, Nee Zuster (‘Hij zingt over zijn vaderland’. ‘Hoe weet u dat?’. ’Dat voel ik’.).
Na een paar uur echter hadden we het dorpsleven  wel gezien. Er stopte een auto bij het bedrijf, maar dat bleek een handelaar in walnoten te zijn. De vrouw van de monteur stopte ons wat toe. Een uurtje later schonk ze nog een glaasje raki. Ze zei er iets bij wat we niet verstonden. Het klonk als: ‘geniet van het leven!’, maar het had even goed  ‘wel graag afrekenen!’ kunnen zijn. Het was onze eerste dag in Griekenland, dus met de taal wilde het ook nog niet zo vlotten.
We belden eens naar onze eindbestemming, maar daar werd niet opgenomen. We informeerden in een bar, maar het meisje daar kon ons ook niet helpen. De schaduwen in de straat werden langer en langer.
Opeens reed er een taxi voorbij. De vrouw van de monteur gilde over straat. De auto keerde om en verloste ons uit ons lijden.

Mensen, die het goed met ons voor hebben, menen dat wachten ook kansen biedt. Je kunt je  ontspannen en helemaal tot jezelf komen. Je kunt stilstaan bij de vraag of je met het goede bezig bent. Wachtlijsten in de zorg kunnen helend werken. Soms gaan klachten vanzelf weer over. Huisartsen hebben dit tot methodiek verheven. Watchful waiting wordt dat genoemd.
Filosofen zeggen dat wachten bijdraagt aan rust en creativiteit.
Daarom ben ik sinds kort in training om mijn wachtpotentie te vergroten. Ik sta op wachtgeld, dat helpt. Inmiddels kan ik al intens genieten van een rood stoplicht. Ik overweeg mij aan te melden bij de brandweer. Wachtlopen lijkt me ook wel wat. Ik hou van wandelen, dus dan kan ik twee bezigheden in dezelfde tijd combineren! Of is dat weer het oude efficiencydenken?

Mocht je benieuwd zijn naar mijn volgende blog, dan moet je nog even wachten. Vanaf zondag ben ik in Tsjechië voor een zangtiendaagse. De eerstkomende bijdrage is op zijn vroegst over veertien dagen te ver-wachten.

zaterdag 12 juli 2014


SNELLE PIETJE

 

Voordat ik ga slapen, pak ik mijn kleren voor de volgende dag. Ik leg een schone onderbroek, een paar sokken, een overhemd in de kamer naast onze slaapkamer. Maar niet mijn broek. Die leg ik op de stoel naast mijn bed. In mijn kontzak zit namelijk mijn portemonnee en ik ken het verhaal van mijn buurman. Die had ooit een inbreker in zijn huis. Terwijl hij op één oor lag te ronken, pikte de dief beneden het geld uit buurman’s broek. Daarom hou ik mijn broek altijd bij mij. Dat deed ik ook die ene keer, dat wìj bezoek kregen van een inbreker.
Op een middag in september was ik alleen thuis. Ik lag met 39 graden koorts in bed en voelde me zo ellendig dat ik alleen maar in staat was om te liggen. Een radiootje naast mij bracht het nieuws van de ramp met de veerboot Estonia.
Er werd aangebeld. Dat kan op dit uur alleen maar iemand zijn die mijn schoorsteen wil vegen, dacht ik. Of die mijn meubels opnieuw wil bekleden. Ik bleef liggen. Tien minuten later ging de bel opnieuw. Zou dat dezelfde verkoper zijn? Daarna hoorde ik het krakende geluid van scheurend hout.
Zo slap als ik was, zat ik toch direct overeind in bed. Ik luisterde gespannen en hoorde nogmaals het gekraak van het hout.
Dat lijkt onze voordeur, dacht ik en als dat klopt, dan is er iemand bezig om in te breken! Het zal toch niet! Laat het een geluid bij de buren zijn, ik ben ziek.
Toen hoorde ik onze voordeur opengaan. Een golf van angst en paniek spoelde over mij heen. Ik moet iets doen, ik moet er naar toe, maar ik lig hier in niets dan een onderbroekje, dat helpt niet mee als je fors wil optreden, en ik heb vandaag geen honkbalknuppel bij de hand, alleen maar een klerenhangertje, dus die indringer ziet me komen in mijn onderbroekje met mijn klerenhangertje  en wie weet heeft hij wel een of ander wapen, maar ik moet nu wel iets doen.
Ik trok mijn kamerjas aan, opende met bonzend hart en slappe knieën de deur en liep, het koord van de jas nog vastmakend, naar beneden. Halverwege de trap zag ik in de hal een blonde man staan. Hij was een jaar of veertig en hij had een schroevendraaier in zijn hand.  Op dat moment was het geen anonieme indringer meer, geen gevaarlijk sujet, geen engerd uit een film.
‘Godverdomme, klootzak, idioot..’ begon ik te schreeuwen. Woede helpt je over je angst heen.
De man keek geschrokken op. Terwijl hij zich snel omdraaide en naar buiten schoot, nam hij mijn gevloek over: ‘godverdomme, teringlijer!’. Het werd op deze manier een stuk voor twee vloekende heren.
Zijn vlucht maakte mij sterk. Ik was in twee sprongen beneden. Daar zag ik dat de man buiten zijn fiets pakte. In alle haast om weg te komen, struikelde hij nog en viel half over de fiets heen, zijn schroevendraaier in zijn hand. ‘Godverdomme’, hoorde ik opnieuw. Misschien had ik hem op dat moment kunnen pakken. Ik had echter zonder nadenken de achtervolging ingezet, niet wetend of ik hem wilde verjagen of oppakken. Hij maakte van mijn kleine aarzeling gebruik en schoot er alsnog met zijn fiets vandoor. Godverdomme, dacht ik.
Niet veel later arriveerde de door mij gealarmeerde politie. Hoewel de deur al uitnodigend open was gezet, werd er beleefd aangebeld. De twee agenten hadden nauwelijks aandacht voor de kapotte deur en al helemaal niet voor mij in mijn kamerjas. Zij inspecteerden direct ramen en deuren op inbraakrisico’s en adviseerden een pakket preventieve maatregelen. Mijn koortsige hoofd begon weer op te spelen.
Enkele dagen daarna, toen de koorts gezakt was, heb ik op het politiebureau een dikke ordner met honderden foto’s van inbrekers doorgeploegd. Ik concentreerde me op de blonde types. Op elke pagina zag ik wel een man die leek op mijn tegenstrever en bij elke volgende pagina dacht ik: ‘dit is ‘em’.  Aan deze database waren helaas geen geluiden verbonden, bijvoorbeeld van vloeken en schelden. Onverrichter zake keerde ik naar huis terug.
Jaren later las ik in het Stadsblad, dat Snelle Pietje, een drugsverslaafde inbraakrecidivist, weer eens was opgepakt. Er stond zowaar een foto bij het artikel.
Dat was ‘em dus. De man die zo razendsnel over zijn fiets kon struikelen.

zondag 6 juli 2014


RECHTDOOR NAAR SCHOOL EN KANTOOR

 

Als ik ‘s morgens tussen acht en half negen naar mijn werk fiets, kom ik door Tuindorp heen.
Dat is een dertiger jaren wijk in Utrecht, met keurige eengezinswoningen, voortuintjes, erkers en glas-in-lood boven de ramen. De wijk is populair bij hoger opgeleide jonge stellen met kinderen.
Tussen acht en half negen gaan de deuren en tuinpoorten open en stromen van alle kanten ouders met hun kinderen naar buiten. Dan worden de prinsen en prinsesjes naar school gebracht.
Moeders met brede derrièrres brengen traag de kinderbakfiets op gang. Vaders in krijtstreeppakken, de haren nog vochtig van de douche, manen hun kinderen op te schieten, de smartphone rinkelt. Autoportieren staan open om het kroost in te laden. Moederkloeken rijden midden op de weg om de meefietsende kinderen te beschermen. Andere moeders rijden met zorgen in hun ogen 50 meter achter hun kroost en gillen bij elk kruispunt ‘Uitkijken!’.
Altijd staat ergens wel een kind huilend op de stoep, omdat de juichpet niet op mag of omdat de roze haarband kwijt is. In de huiskamers flitsen de tekenfilms nog over het wandvullende tv-scherm.

Deze week zag ik op de Sjollemalaan een jonge vader fietsen met een klein jongetje in het voorzitje en iets groter peutermeisje in het zitje achter. Tien meter voor hem uit reed een meisje van een jaar of zes op een roze fietsje.
Hoe het opeens gebeurde weet ik niet. Misschien omdat de vader over een ronde verkeersdrempel reed. Misschien dat een van de peuters een onverwachte beweging maakte. Misschien dat de snelheid gewoonweg te laag was. Midden op de verkeersdrempel viel de fiets plotseling om. Het was een soort sur-place-val. Hij kapseisde, zoals onze kat zich regelmatig op zijn zij laat vallen als hij languit op het tapijt wil gaan liggen.
Er ontrolde zich voor mijn ogen een smartelijke scene.
Het jongetje was uit het voorzitje gekukeld. De veiligheidsriemen hadden hem niet tegengehouden. Misschien had hij zichzelf  voor de val al onder de riemen uitgewurmd. Hij lag keihard huilend op zijn rug op straat. Het kind achterop lag, nog altijd in het stoeltje, met het onderbeen geklemd onder het achterwiel. Het voorwiel stak omhoog en draaide tergend langzaam rond.
De vader stond in een mum van tijd weer overeind. Hij aarzelde even naar welk van de krijsende kinderen hij het eerst zou gaan. Toen zette hij de fiets weer overeind en boog zich over het meisje achterop.
‘Het valt wel mee’, probeerde hij te sussen.
Het leek nu of de kinderen nog harder gingen huilen.
Zijn eerste zorg was om de rust te doen weerkeren en de schade te beperken. Dat zou ik ook doen. Je gaat niet midden op straat naast je kind zitten om het uitgebreid over zijn bol te aaien: ‘huil maar lekker, je zult vast wel pijn hebben’. Dat kan altijd later nog.
Met de fiets in de ene hand tilde hij met zijn andere hand moeizaam en wat onorthodox het jongste kind op.
‘Kom, kom, kom’, zei hij met een zachte, kalmerende stem. Meteen daarop keek hij om naar de oudste dochter die twintig meter verderop midden op de weg was blijven staan. ‘Laura, ga aan de kant staan asjeblieft!’, riep hij haar boos toe.
Ondertussen had ik mijn fiets neergezet. Ik vroeg me sterk af of ik ook maar iets voor de huilende kinderen zou kunnen betekenen. Of voor de vader, die deed alsof het een gewone morgen was en zijn kinderen regelmatig van de fiets afkukelen.
‘Kan ik iets voor je doen?’.
 ‘Nee, dat hoeft niet hoor, het gaat wel weer’. Hij leek vooral zichzelf toe te spreken. Of hij was al aan het repeteren hoe hij het voorval aan zijn vrouw zou uitleggen.
Ik vervolgde mijn weg. De kinderen huilden nog steeds onbedaarlijk.
Toen ik langs de oudste dochter fietste, schreeuwde zij naar haar vader: ‘Pap, wie komt ons vanmiddag ophalen?’

zondag 29 juni 2014


OVERNACHTING IN U HANECKI

 
G en ik wandelen een week lang door Neder-Silezië, een dunbevolkte streek in het zuidwesten van Polen. Het landschap is een combinatie van Limburgs heuvelland en Ardense rivierdalen, met kleine dorpjes en gehuchten, die in veel opzichten lijken op Nederland in de vijftiger jaren. Tot het einde van de tweede wereldoorlog behoorde deze streek tot Duitsland. Maar daar merk je niets meer van, zo op het eerste gezicht.
Op de zesde wandeldag bereiken wij pension U Hanecki in het gehucht Barcinek, niet ver van het stadje Jelenia Gora. Het buitenhuis ziet er verouderd en verveloos uit. Daar kijken we niet van op. We wandelen dagelijks langs ingedeukte brugleuningen, roestige verkeersborden en kapotte bankjes. In de dorpjes zien we de tweedehands auto’s die wij Nederlanders op de automarkt in Utrecht van de hand hebben gedaan, maar ook paarden met houten wagens. Kippen scharrelen langs de kant van de weg. Een dorpswinkeltje valt aan de buitenzijde niet op, hoogstens door een geopende deur, waar kinderen op de stoep zitten. Binnen staan de moeders in de rij achter de toonbank voor een assortiment westerse producten. Een transistor radio naast een kruisbeeld laat Amerikaanse hiphop horen.
In U Hanecki gaat de breed gebouwde zoon des huizes ons voor naar de eerste etage. Hij opent de deur van een kamer van zo’n vijf bij zeven meter. Het enorme vertrek ziet er uit als een eind 19e eeuwse pronkkamer. In de hoek staat een witbetegelde Kachelofen die tot het plafond reikt. De wanden hangen vol met schilderijen: arcadische taferelen, bijbelse scenes, poserende vrouwen. Het meubilair is van donker eiken. De bedden, het dressoir, de klerenkast, de stoelen en de hoge zitbank bij de eettafel, alles lijkt op het meubilair dat boven in het huis van mijn opa en oma (getrouwd in 1897) stond. Overal staan kopjes, wandborden, beeldjes, doosjes en andere snuisterijen. Op de canapé liggen kussens waar in het Duits een spreuk op geborduurd is. In de boekenkast staan Duitstalige boeken in gotisch schrift.
Bij een kopje thee laat ik mijn ogen de kamer rondgaan. Dan komt opeens de gedachte op, dat al dit meubilair waarschijnlijk is achtergelaten door een Duitse familie die na de oorlog gedwongen werd om halsoverkop met medeneming van een paar bezittingen hun huis te verlaten om plaats te maken voor een Pools gezin.
De kamer verandert op slag van sfeer.
Twee dagen daarvoor zaten we in Plawna aan het ontbijt met een Duits echtpaar en een nicht van de man. Hij was voor de oorlog geboren in Lubomierz (Liebenthal), de nicht in Plawna (Schmottseifen). Hun families hadden in 1947 hun huis met bezittingen moeten achterlaten. Voor Polen was dit een begin van herstelbetalingen. Bovendien hadden de Duitsers in 1939 op dezelfde wijze Polen uit hun huizen gezet.
De nicht was in Keulen terechtgekomen, het gezin van de man had zich net over de nieuwe grens in het Oost-Duitse Halle gevestigd, hopend op een spoedige terugkeer naar Silezië. Nadat het ijzeren gordijn om Oost-Duitsland was opgetrokken konden de familieleden elkaar niet meer ontmoeten.
Nu komen de ouderen terug, op zoek naar hun geboorteplaatsen en naar de dorpen van hun voorouders. Zij hebben een kaart van Silezië, waar alle plaatsen met de Duitse naam vermeld staan. Het is geen vooroorlogse kaart. Dit soort kaarten van voormalige Duitse gebieden in Polen en Tsjechië worden in Duitsland verkocht. Er is een markt voor.
Als wij vertellen over onze wandeltocht en over wandelpaden die plotsklaps midden in een akker eindigen, vertelt de man dat in Oost-Duitsland destijds vele wandelpaden zijn verdwenen door de grootschalige landbouw. ‘Nur der Rennsteig nicht!’. De man windt zich er nog zichtbaar over op. Zijn vrouw sust: ‘Das war lange her’. Ofwel,  genoeg over dat Oost-Duitse verleden. Ze weet wat er kan gebeuren als de man zich opwindt.
Als ik in U Hanecki in het antieke bed stap, bezeer ik me aan de houten rand, die uitsteekt boven het dieper liggende matras. Het dekbed is niet 19e eeuws. Het is gemaakt voor koude winters. Dat wordt een warme nacht. Het is maar goed dat de Kachelofen niet aan is.

maandag 2 juni 2014


SUCCESVOL NAAR WERK

 

Nog net op de tijd voor de economische crisis van de tachtiger jaren vond ik mijn eerste baan. Ik ging aan het werk en na een aantal jaren kwam de economische groei langdurig terug. De golven van de economische hoogconjunctuur duurden echter net niet lang genoeg om ongeschonden mijn pensioen te halen. Een paar jaar voor de finish ben ik nu werkloos geworden, zij het part-time. Ik  loop sinds enkele maanden met één been in de WW. Al was het maar met één teen geweest, het Uitkeringsinstituut Werknemers Verzekeringen vraagt van elke werkloze hetzelfde. Elke week een sollicitatieactiviteit uitvoeren, bijvoorbeeld. Ook al is er in mijn branche in geen velden of wegen een geschikte functie te bekennen.
Het UWV nodigde me daarnaast uit om deel te nemen aan Succesvol naar werk, een training voor 55-plussers. Uitnodigen is hier een eufemisme voor verplichten. De cursus maakt onderdeel uit van een pakket van maatregelen van minister Asscher om het groeiend aantal oudere werklozen aan een baan te helpen. Hij heeft er 67 miljoen voor uitgetrokken. Dat vraagt om een tegenprestatie.
Zo zit ik nu iedere woensdagmiddag met negen steuntrekkende leerkrachten, financieel dienstverleners en vpro-programmamakers mijn baanverwervende capaciteiten te verhogen.
Iedere deelnemer zet tijdens de bijeenkomsten zijn beste beentje voor. Het is niet duidelijk of men dat doet om een baan te krijgen of om een strafkorting te vermijden. Er worden wel eens kritische vragen gesteld. Of, gelet op de hoge jeugdwerkloosheid, de beschikbare banen niet beter aan jongeren gegund kunnen worden. Of het überhaupt zin heeft om ons aan een baan te helpen, want als dat bij een van ons lukt, blijft toch weer iemand anders werkloos. De begeleider van het UWV beantwoordt dit soort vragen rustig. Het is een oudere, aimabele Limburger. Hij is ervaringsdeskundige, want hij was enige tijd werkzoekend voordat hij als begeleider bij het UWV aan de slag kon. Helaas kan niet elke werkloze als UWV-consulent aan het werk. Dan zou er niemand meer zijn om te begeleiden.
De rode draad in de training is Personal Branding. Beschouw jezelf als een merk en zet een consistent imago in de markt neer. Laat weten wat je toegevoegde waarde is, wat je ambities zijn, hoe jij je onderscheidt van anderen en welk concurrentievoordeel de werkgever met jou kan behalen. Zet social media hierbij in en ontwerp een eigen website. Laat je begeleiden door een topcoach die jou de tools in handen geeft en je de laatste tips en tricks bijbrengt. En oefen met de elevator pitch. Als jij in een halve minuut jezelf goed kunt presenteren, stap je met een nieuwe baan uit de lift.
Dat er op dit terrein nog veel werk verricht moet worden, bleek wel uit de reacties in onze groep.
‘Dit is iets voor jonge mensen. Die zijn opgevoed met de boodschap dat alles wat zij doen fantastisch is. Wij moesten onze ouders en meesters volgen. Wij hebben niet geleerd om voor onszelf op te komen en op eigen gedachten te vertrouwen’.
Volgzaam als ik ben, ben ik niettemin direct begonnen om mijzelf aan een sterkte-zwakte-analyse te onderwerpen. Ik heb in kaart gebracht wie ik ben, wat ik kan en wat ik wil. Ik heb al mijn interesses ingevuld in de systemen van het UWV. Het was wel een beetje jammer, dat veel van mijn belangstellingsgebieden door het systeem beoordeeld werden als ‘weinig kansrijk’. Er kwam in de branche Cultuur nog wel een enkele vacature naar boven voor een redacteur van technisch voorlichtingsmateriaal. Dat zijn mensen die moeten uitleggen hoe je een wasmachine of smartphone moet bedienen.
Aan de hand van mijn analyse heb ik een marketingstrategie opgezet. Deze blog is daar een onderdeel van. Ik ga dus zeker geen formulier invullen om uit Google verwijderd te worden. Ik heb juist aan een Search Engine Operator gevraagd hoe ik hogerop in de vindlijsten kan komen.  Daartoe heb ik een wervend en vooral onderscheidend profiel opgesteld:
Ervaren professional in zorg en welzijn, analytisch sterk, gestructureerd werkend, met een uitstekende pen, geoefend en gedreven zanger en bekend met de klapschaats.
Morgen ga ik mijn profiel weer bijstellen. Stilstaan is immers achteruitgang.
Het UWV houdt me zo aardig aan het werk.

zondag 25 mei 2014


ONDER VOETBALSUPPORTERS

 

 
Afgelopen zondag degradeerde voetbalclub RKC uit de eredivisie. De Rooms Katholieke Combinatie moest met twee doelpunten verschil van Excelsior winnen om zich te handhaven. Het werd 2-2.
Ik was er bij. Zoon Arjan verdedigde de afgelopen maanden het doel bij de Waalwijkers.

Na het laatste fluitsignaal vallen de uitgeputte spelers van RKC languit op het zonovergoten grasveld. Degraderen is omvallen en blijven liggen. Denken aan Telstar Uit, 25% minder salaris en vier keer zo weinig aandacht. Het slagveld ligt bezaaid met spelers. Eén speler zit in elkaar gedoken, de handen voor zijn gezicht. Hij wordt getroost door een teamgenoot. Een paar spelers bedanken, niet al te opzichtig applaudiserend, het publiek voor hun aanmoedigingen.
De toeschouwers laten zich traag en gelaten van de tribunes afzakken. Er is geen rumoer en geen gefluit. Berusting overheerst. Misschien dat de woede er thuis pas uitkomt (‘Godverdomme, kut, hedde ge nou weer geen bier koud gelegd?’).
Terwijl de spelers van Excelsior op de andere helft elkaar met champagne bespuiten, druipen de spelers van RKC met hangende schouders het veld af. Voor hen is er geen rol in deze ceremonie, geen aanmoedigingsprijs, geen verwerkingsritueel. Arjan is de enige die de Excelsiorspelers feliciteert.
Ik loop met een leeg gevoel het al bijna lege stadion uit, over het parkeerterrein van de bobo’s naar de glazen hoofdingang, om Arjan op te wachten. Veiligheidsmensen, uitgerust met communicatieapparatuur lopen heen en weer met één hand op het microfoontje, de andere hand op het oortje. De zon schijnt onpasselijk fraai en de Bugatti’s en BMW’s van de sponsoren zien er walgelijk decadent uit. Zouden de sponsoren ook mee degraderen?
Een paar boos uitziende supporters komen in de buurt van de hoofdingang. Vanuit het niets komt er dan opeens een tiental ME’ers aangelopen, in vol gevechtsornaat, met schild en wapenstok. Kalm lopend, als op een zondagmiddagwandeling, maar zeer gedecideerd sluiten ze de hoofdingang af. Niemand mag er meer in of uit. Enkele ME’ers te paard sluiten aan. In Nijmegen heeft een groep NEC-supporters na de degradatie een deel van het stadion vernield. Veiligheidsmaatregelen zijn vaak een antwoord op de vorige ramp.
Er lopen ook supporters die uit zijn op een shirt of een paar keeperhandschoenen.
Aan de zijkant van de glazen ingang staat een drietal fans. Een man van in de vijftig, met getatoeëerde armen, een ronde bierbuik en een rood verbrand hoofd, een vrouw met roodoranje geverfd haar en een dochter, die vanaf de schouders naar de heupen breed uitdijt. Met haar gezicht tegen de ruit loert ze naar de mensen in de hal. Dan kijkt ze naar het groepje supporters tegenover de ME’ers.
‘Jezus, man, wat een mietjes, hou toch oe bakkes! Opflikkeren met die gasten. Oppakken en nooit meer het stadion in’.  Moeder kijkt vanaf een afstandje toe, vader doet of hij er niet bij hoort.
 ‘Doe nu gewoon efkes die deuren open. We moeten alleen Arjan van Dijk hebben. Die loopt daar binnen, da zie ge toch. Of hedde ge een bril nodig, maat?’.
De ME’ers blijven bewegingsloos voor zich uitkijken. Alleen een van de paarden zet zijn achterbenen wat opzij. De agente bovenop trekt wat steviger aan het leidsel.
Aan de andere zijde van de hoofdingang zijn inmiddels enkele spelers verschenen in hun chique hemelsblauwe kostuum. Het drietal loopt erheen en ontdekt Jan Seda, de andere keeper.
‘Zullen we Seda vragen’, oppert de moeder.
‘Die spreekt geen Nederlands’, zegt de dochter. Dan trekt ze toch de stoute schoenen aan.
‘Hé, Seda, do you have…’ , zij steekt haar handen omhoog. Seda gebaart het meisje mee te komen.
Op een stil commando, bijna onopgemerkt, trekt de ME zich weer terug. Ook in hooliganism zou RKC onderaan eindigen. De hoofdingang gaat weer open en de business lounge stroomt leeg. De mensen zijn blij dat ze weer naar buiten mogen. Het lijkt alsof de degradatie alweer vergeten is.
Dan komt ook Arjan naar buiten. Onmiddellijk staat er een jongen van een jaar of 12 naast hem. Die vraagt hem zijn handschoenen. Nog niet zo lang geleden stond Arjan zelf bij FC Utrecht te wachten op een handtekening van de keeper. Hij loopt weer naar binnen om een paar handschoenen te halen.
Het drietal is nergens meer te bekennen. De paarden zijn verdwenen. De supporters zijn naar huis. RKC is gedegradeerd. Het is klote, maar het is waar.

zaterdag 17 mei 2014


IN JE BLOOTJE

  

In de zeventiger jaren was het vak filosofie een verplicht onderdeel voor psychologiestudenten. Het werd mij al snel duidelijk dat de toenmalige filosofen tot een apart slag wetenschappers behoorden. Ze droegen lange baarden of grote hoeden. De lector inleiding tot de wijsbegeerte ontving regelmatig naakt zijn bezoek.
Ik keek daar niet van op. De opdracht van de filosofie is om het denken over het leven te stimuleren en achter iedere vraag weer een nieuwe waarom-vraag op te werpen. Wat zou het dus voor de menselijke communicatie betekenen als je alle uiterlijke verschijnselen en opsmuk zou afleggen? Zonder kleren is er geen verschil tussen een professor en een vuilnisman.
Daartoe uitgedaagd liet ik mijn gedachten gaan over de kwestie van het naakte gastheerschap. Ik vroeg me af, hoe ik mijn bezoek het beste zou kunnen ontvangen. Gewoon direct in mijn nakie en met een pokerface de voordeur van mijn studentenhuis openzwaaien of het bezoek eerst meenemen naar mijn kamer en daar luchtigjes en quasi-onopgemerkt een striptease uitvoeren?
Ik concludeerde al snel, dat het niets voor mij was. Ik was groot geworden in het bedekken of verzwijgen van alles wat maar tot enige opwinding zou kunnen leiden. De verschoning van het ondergoed eenmaal per week deden we in de beslotenheid van de badkamer met de deur op slot. Voor het aantrekken van de zwembroek gebruikten we alleen een eenpersoons kleedhokje of we zaten schichtig kijkend met één hand te sjorren onder een grote badhanddoek, die we met de andere hand krampachtig vasthielden. Het appèl van de lector was aan mij niet besteed.
Nog geen jaar later beleefde ik mijn coming-out.
Een vriend nodigde mij uit voor de sauna. M. woonde op kamers bij een mentor, een leraar van onze middelbare school. Gedrieën liepen we naar de zolder van het huis, waar in een hoekje een houten hokje stond. Enigszins gespannen trok ik mijn kleren uit. In mij streed de neiging tot wegkijken om voorrang met de nieuwsgierigheid naar het lijf van de anderen. Nadat ik geconstateerd had, dat we gelijkwaardig waren geschapen, viel het schaamtegevoel weg en richtte de aandacht zich op het weerstaan van de hitte in het hokje.
Na tien minuten liepen we een etage omlaag. Daar dompelden we ons onder in een badkuip met koud water. Vervolgens ging het verder naar beneden, via de achterdeur de langwerpige tuin in. In het duister paradeerden we in ons blootje het tuinpad op en neer.
Alle spanning was van mij afgevallen. Ik voelde geen enkel schaamtegevoel meer. Integendeel, ik wilde daar nog uren lopen. Het voelde als een bevrijding. Weg met die oude bekrompenheid! Voorbij het stiekeme gedoe! We zouden weer teruggaan naar een natuurlijk leven, zonder opsmuk, zonder poses, zonder maskers.
Het eerste wat ik deed toen ik die avond laat weer terug kwam op mijn studentenkamer, was mezelf  uitkleden. Ik zette Cat Stevens op en liep nog een tijdlang in mijn blootje door de kamer te niksen. Ik wilde het gevoel van bevrijding vasthouden.
Ik was blijkbaar niet de enige die er aan toe was. Bij de Maarsseveense plassen werd een van de ligweides tot naaktstrand bestempeld. Het was een kleine strook gras, door dichte struiken omzoomd en het was er altijd rete-druk. Hoewel er genoeg ligweides waren met een zee van ruimte, wilde ik perse naar het nudistengedeelte om me daar heerlijk bevrijd te voelen tussen al die andere bevrijde mensen.
Vriend T zei me, dat hij er niet over dacht om er heen te gaan. Hij was ervan overtuigd, dat hij daar een eeuwigdurende erectie zou krijgen vanwege alle borsten en billen. Met zo’n vlaggenstok loop je natuurlijk niet op je gemak naar de waterkant.
‘Maar als iedereen bloot is, wordt het juist heel gewoon, dan voel je geen opwinding’, wist ik. ‘Juist als je sommige delen gaat bedekken en andere niet, stimuleer je de spanning’.
‘Ach, klojo, ‘antwoordde hij, ‘ik ben zelf een keer in Zandvoort op het naaktstrand geweest, dus ik weet heus wel hoe dat gaat’.
Ik probeerde hem tevergeefs te overtuigen.
We waren het er wel over eens, dat je in buikligging beter een zwelling kunt krijgen op het plooibare zandstrand aan zee dan op de harde klei rond de Maarsseveense plassen. Ik weet niet of we daarmee tot een filosofisch inzicht waren gekomen.