VAAN VENLO TOT
MESTREECH
De voorpret begint als we met zijn vieren op zaterdagmorgen
de opgelapte Citroën Ami van M instappen.
‘Zul je je onderweg een beetje gedragen?’, vraagt M aan mij.
‘Als ik bij het raampje mag zitten, komt alles goed’, is
mijn antwoord.
We rijden op het gemak naar Limburg en zetten Sj af bij haar ouders in Sittard. We mogen
pas verder als we eerst een groot stuk kiersevlaai
hebben gegeten. Het is alsof overal de opwinding voor het komende feest
merkbaar is.
Ook in Beek, bij de ouders
van M, is er weer vlaai. En de garage staat vol met soepen, salades, vleesgerechten
en pasta’s, die M’s vader in het vooruit gemaakt heeft. Carnaval vier je met
elkaar. We zullen drie dagen alles samen doen. Nu ja, bijna alles, zoals zal
blijken.
Mijn geboortedorp Vleuten kende geen carnavalscultuur. De vastenavond was wel de dag van het Potverteren van de kaartclub van mijn
vader. Dan kwamen de vier families bij elkaar. De moeders stonden uren in de
keuken om wafels te bakken. Wij deden ons tegoed aan lekkernijen die we in de
daaropvolgende veertigdaagse vastentijd niet meer mochten eten. Maar polonaises
of verkleedpartijen kende ik niet en uit je dak gaan en doorzakken kwamen in
ons woordenboek niet voor.
Dus toen ik halverwege de zeventiger jaren voor de eerste
maal Vastelaovend vierde in Limburg,
kostte het me in het begin moeite om mij in het feestgedruis te storten. Het
voelde alsof er mensen speciaal naar mij stonden te kijken. Naar hoe ik voorzichtig
in die rare uitdossing stond te deinen. Maar als je met een groep bent went dat
snel.
Op zaterdagavond beginnen we het fiëst in Geleen. We trekken van de Hanehof naar ’t Luifeltje, en
verder, drinken overal een paar biertjes, hossen een tijdje mee en gaan weer door.
Soms blijven er nog halfvolle glazen in het gemorste bier op het dienblad
staan.
Op straat is het druk, een continue stroom clowns, narren en
gekleurde pruiken beweegt zich tussen de lokalen.
Een als meisje verklede jongen met een bloem in het haar legt
zijn arm om mijn schouder.
‘Wa zeit gij een liefie’, murmelt hij met zijn gezicht vlak
bij het mijne. Ik schud hem van me af.
Even later loop ik naast een man die zich als priester heeft
uitgedost.
‘Eerwaarde, ook een slokje?’, vraag ik. Ik houd hem mijn volle
plastic beker bier voor.
‘Gerne, mijn vrind’. De priester pakt de beker aan en drinkt
hem in een teug helemaal leeg.
‘God zal u hierveur
belonen’, knikt hij, het schuim nog op de lippen.
Ondertussen doet M een poging om over een auto heen te
lopen.
Elders worden er enkele bloembakken verplaatst.
Op maandagavond gaan we uit in Beek.
In een café hangen foto’s van de Baeker Potentaote, mannen die je vanonder hun carnavalshoed met fazantenveren
gemoedelijk maar vastberaden aankijken. We
belanden in een grote zaal, waar de Limburgse carnavalsschlagers uit de boxen
schallen. Vaan Venlo tot Mestreech en
vaan Eijsde tot de Mookerhei. We worden meegevoerd met de meute, die in
grote cirkels de zaal doorgaat. In het midden bewegen groepen feestvierders
juist de tegengestelde kant op.
In de groep tegenliggers valt mij een leuk meisje op. Blond haar, rode wangen,
deemoedige blik. Na een volgende ronde heeft zij mij ook opgemerkt. We lachen naar
elkaar. Bij elke ontmoeting kijken we
elkaar langer aan. We lachen nu niet meer, we kijken indringend. Ik ga naar
haar oversteken, bedenk ik.
Op dat moment roept M: ‘we gaan naar café Frusch’. Ik kom in
tweestrijd. Besluiteloos loop ik achter mijn vrienden aan. Pas als onze groep
halverwege de nacht besluit naar huis te gaan, zeg ik dat ik nog even blijf.
Ik keer direct terug naar de feestzaal. Onrustig en gedreven ga ik op zoek naar het
meisje met de appelwangen. De zaal is al half leeg, maar het gebral klinkt
luider. Wo is toch dat Sjterfhoes, wo is
dat toch hein. Dat feesten staat me nu erg tegen. Ik zie het meisje nergens
meer en voel me hopeloos alleen. Op je eentje is carnaval sjrikkelik.
Terug in mijn logeerbed dreunen de tweekwarts maten nog na. Ik
raak het Sjterfhoes niet meer kwijt. De
kamer draait om mij heen. Ik knik het bedlampje weer aan en val in een
onrustige slaap.
Op dinsdagochtend gaan we terug naar Utrecht. Voor de optocht van de zaate
ermenniekes hebben we geen puf meer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten