vrijdag 29 maart 2013


HET IMAGO VAN PASEN

 
Het is duidelijk dat het paasfeest een andere uitstraling heeft dan het kerstfeest.
Waar je bij Kerstmis denkt aan gezelligheid, kaarslicht, kerstboom, en familiebezoek, roept Pasen associaties op met kale paastakken, winderig en fris weer en een overdaad aan hardgekookte en met verf besmeurde eieren. Terwijl de oprispingen van de eieren nog in de weg zitten, moet je dan naar de meubelboulevard. En ’s avonds maar weer eens Jesus Christ Superstar op televisie.
Met Kerst is de emotie duidelijk: er is blijdschap vanwege de geboorte van een kind. Met Pasen, gevierd op wisselende dagen, ligt dat minder eenduidig. Welke emotie overheerst hier?  Na een week van ellende en smart vier je de opstanding van Jesus uit de dood. Dat heeft toch iets ongeloofwaardigs. Met de kennis van nu zou je kunnen zeggen, dat Jozef van A. zijn werk maar half gedaan heeft. Ich will Jesum selbst begraben. Dat had ie beter aan een ander over kunnen laten.
De paastakken, als pendant van de kerstboom, zijn nooit echt doorgebroken en de Paashaas haalt het niet bij de Kerstman. Kortom, Pasen lijdt aan een imagoprobleem.

Natuurlijk, het zijn toptijden voor handelaren in eieren en chocolade paaseitjes. In een managementopleiding heb ik eens een casus moeten oplossen over de inzet van tijdelijk personeel in de chocoladebranche. Later bleek, dat de chocolade eitjes het hele jaar door geproduceerd worden. Zo doet de  real-life kip dat natuurlijk ook. Het kan overigens zo maar zijn, dat er nu een technoloog van het Productschap voor Pluimvee zit te broeden op het idee om de genen van kippen zo te manipuleren dat ze in de maand vóór Pasen tien keer zoveel eieren leggen. (Komen we dan niet weer bij de oorspronkelijke natuur uit, vraag ik me af, zoals andere vogels ook hun eieren in het voorjaar leggen?).
Eitjes verstoppen vond ik vroeger een van de leukste onderdelen van de paasdagen. Toen onze kinderen klein waren, was één verstopronde bij lange na niet genoeg. Het spel moest steeds herhaald worden. Na verloop van tijd wist je niet meer op wat voor onmogelijke plaatsen de eieren waren verstopt. Zag je ’s zomers onder de kachel of onder een varen in te tuin opeens een gekleurd zilverpapiertje glinsteren.
Laten we overigens in de paastijd de Matthaeus Passion niet vergeten. Dat zou je in marketingtermen booming business kunnen noemen. De Matthaeus is een sterk merk. Elke omroep zendt zijn eigen Matthaeus-gerelateerd programma uit. Iemand heeft uitgerekend, dat er in deze dagen zo’n 200.000 Nederlanders ‘iets met de Matthaeus doen’. Volgens het magazine Zing wordt er 147 maal een gezongen passieverhaal uitgevoerd, waarvan 15 keer in de provincie Utrecht en meer dan 40 keer in Noord-Holland. Vergeleken met Noord-Holland is de Utrechtse markt blijkbaar nog niet verzadigd. Hier lijkt nog enige groei mogelijk. Maar als dit zo doorgaat komen we op een gegeven ogenblik publiek tekort. Iedereen wil  op het podium staan.  Advocaat Oscar Hammerstein liet op radio 4 weten, dat de Matthaeus Passion het enige muziekstuk is dat hem nooit verveelt en dat hij telkens opnieuw kan horen. Ik zou  dat niet willen onderschrijven. Enige rantsoenering lijkt me op zijn plaats. Een Matthaeus in de zomer kan mij niet bekoren.
Marketingmensen weten hoe het met cash-cows afloopt. Elk product heeft zijn levenscyclus. Wat meer variatie in het muzikale aanbod zou daarom geen kwaad kunnen. Denk bijvoorbeeld eens aan het Stabat Mater. Naast die van Pergolesi zijn er meer dan 200 composities op deze  tekst gemaakt. Onder meer Scarlatti (A) en Rheinberger schreven prachtige werken.

Zou het niet eens goed zijn als er een topteam van marketeers en co-creators aan de slag gaat met het product Pasen?  De vraag is:  wie geeft de opdracht? De detailhandel of de katholieke kerk?
En, nog belangrijker,  wat zou het imago moeten zijn? Wat mij betreft gaan we terug naar het paasfeest als einde van de vastentijd. Dan gaan we het vasten voor grote groepen opnieuw invoeren. In deze tijden van overdaad en overconsumptie enerzijds en economische crisis anderzijds lijkt mij matiging een aansprekend thema. Bovendien worden de tandartsen blij, als je je snoeptrommeltje in één keer leeg eet in plaats van een over 40 dagen gespreide consumptie.

zondag 24 maart 2013


DIERENVERZORGING

Dat je ook op je 60e nog veel kunt leren merk ik iedere woensdag weer op de sportschool.
Daar staat de tv meestal op Animal Planet. Mezelf in het zweet lopend op de crosstrainer komen er dan aardig wat  wetenswaardigheden uit de dierenwereld tot mij. Hoe je bijvoorbeeld de driehoekige tanden van de witbuikzeearend kunt poetsen. Dat het geslacht van de zilversteur een kwart van zijn lichaam vormt en dat albino nijlpaarden moeten opletten dat ze niet verbranden in de zon.  
Erg leerzaam ook vind ik de operaties die live te volgen zijn. Hoe men de bekkeninstabiliteit van een damhert aanpakt. Of hoe een egel met huidproblemen wordt geholpen.
Tussendoor komen  reclames langs voor  goede doelen als het International Fund Animal Welfare of het Wereld Natuur Fonds. Daarin zien we een parade van zielige, magere hondenkopjes, schurftige poesjes zonder staart en driepotige reetjes. Daarna volgt er een bankrekeningnummer.
Ik vind het altijd weer jammer als ik klaar ben met mijn oefeningen.
Als ik al die dierenartsen in hun goed geoutilleerde operatiekamers aan het werk zie, dan komt bij mij onvermijdelijk de gedachte op, dat de veterinaire zorg in VS nog altijd een stuk beter is dan de humanitaire zorg in Oost-Afrika. Zo’n opmerking zal  Dion Graus mij niet in dank afnemen. Maar ja, die slaat ook liever mensen dan dieren.

Zelf heb ik als kind een paar konijnen verzorgd. Naast het halen van kolen en het ‘s zaterdags rijven van het erf was dit een belangrijk onderdeel van mijn opvoeding. Ik was niet zelf op het idee van de konijnen gekomen. Wellicht dachten mijn ouders dat het stimuleren van verzorgende kwaliteiten bij mij geen kwaad kon. Er kunnen ook andere redenen hebben meegespeeld.
Het wekelijks schoonmaken van het hok vervulde mij met afschuw. Niet alleen vanwege de stank, maar ook omdat je voortdurend moest opletten dat niet een van de konijnen van de gelegenheid gebruik zou maken om te  ontsnappen. Zie dan zo’n beest nog maar eens te pakken te krijgen. Eigenlijk was ik vooral bang voor de onverwachte bewegingen van een konijn dat opeens een grote schop zijn hok in ziet komen.
Voor het overige kweet ik mij nauwkeurig en liefdevol van mijn taak. Het was weinig werk, want gras was er in onze tuin in voldoende mate aanwezig. Ik hoefde niet met een zeis op pad om in de bermen langs de openbare weg een dagvoorraad bij elkaar te  halen, zoals ik semiprofessionele konijnenfokkers met alpinopet regelmatig zag doen.
Ik gaf mijn konijnen het liefste zoggedijsels[1]. Daar waren ze dol op. Ik mocht er graag naar kijken hoe ze aanvielen op hun verse groenvoer. Al zat er maar één zoggedijsel tussen een berg gras, dan nog haalden ze dat blad er onmiddellijk uit. In dat opzicht waren ze slimmer dan ik. Ik hield destijds niet van kaas. Toen een van mijn brussen een plak kaas onder de ontbijtkoek op mijn boterham had gelegd, at ik deze smakelijk op. (Wie deze grap heeft uitgehaald weet ik nog steeds niet; bij deze doe ik een oproep aan de dader om zich nu na vijftig jaar bekend te maken)
Een week voor de Kerst kwam de olieboer uit het dorp een van de konijnen halen. In zijn vrije tijd had de olieboer namelijk een bloeiende praktijk als dierenviller. Zijn kwaliteiten op dit gebied waren wijd en zijd bekend. Het voordeel was, dat je een kipje aan hem kon meegeven, als hij met zijn auto in de straat kwam. Zo lag er dan vlak voor de Kerst bij ons een konijnenbout in de braadpan.
Ik at niet mee. Niet omdat ik ontdaan was dat die gulzige knager die mij met zijn grote ogen vaak zo verwachtingsvol aankeek opeens was veranderd in een braadstuk. Ik vond het opdienen van konijn de normaalste zaak van de wereld. Ik at niet mee, omdat ik konijn niet lustte. Ik vond de geur van konijn zoveel vreemder dan de zaterdagse geur van draadjesvlees.

Ook op Animal Planet komen jongetjes voor, die beestenhokken moeten uitmesten. Dat vinden ze zonder uitzondering vies.
Op hetzelfde kanaal als Animal Planet zendt ook TLC uit, een Amerikaanse life-style zender. Dan zie je lelijke moeders haar dochter van vier jaar opmaken en in dure jurkjes uitdossen om mee te doen aan een jonge miss-verkiezing. Meedoen aan die wedstrijden kost duizenden euro’s per jaar. Als ik dat zie, verlang ik weer erg naar de blinde salamanders in de Sahara.



[1] Dialect voor paardenbloem. Het onvolprezen Meertens instituut houdt zelfs een databank bij van volksnamen voor planten. Het woord zoggedijsel (zoggedeisel) staat vermeld voor de plaatsen Benschop en Oud-Maarsseveen, beide met het jaartal 1945. Ik woonde in mijn jeugd in Vleuten, wat zo ongeveer het midden is tussen deze west-utrechtse dorpen. Misschien is het woord zoggedijsel wel het enige dialectwoord, dat ik uit mijn jeugd heb meegenomen.

maandag 18 maart 2013


SOLLICITATIELEED

 

Vlak na mijn afstuderen aan de universiteit, in 1979, solliciteerde ik mij een slag in de rondte om aan een betaalde baan te komen. Zo reageerde ik op een vacature bij het JAC (Jongeren Advies Centrum) in R.  Het sollicitatiegesprek vond plaats in een soort huiskamer annex opvangcentrum. Er lag een meisje op een afgetrapte donkerbruine bank te huilen. Er liepen jonge mensen in en uit. Ik voelde me er zeer ongemakkelijk.
Deze ervaring weerhield mij er niet van om enige tijd later bij het JAC in Z. te solliciteren. Dit gesprek in een kantoor met enkele aardige medewerkers liep gesmeerd. Ondanks dat ik me in die dagen vaak zeer onzeker voelde, was ik om de een of andere reden die middag in Z. goed in vorm en zelfverzekerd. Zo antwoordde ik hooghartig op de vraag, of ik getrouwd was, dat dat onderwerp mij niet van belang leek voor de uitoefening van de functie. Discussie gesloten.
Mijn gesprekspartners leken onder de indruk van mijn kennen en kunnen. Ze lieten aan het einde van het gesprek blijken dat ze mij graag zouden willen aanstellen. Ik vond het een uitdagende functie en de mensen spraken mij ook aan. Toch hapte ik niet meteen toe. Het was namelijk een full-time baan en dat had ik niet voor ogen.  Alle dagen werken leek me toentertijd iets voor carrièrremakers. Er zou bovendien te weinig tijd over blijven voor al die andere leuke en creatieve dingen die ik graag deed. Retrospectief zou ik deze overwegingen ook kunnen duiden als angst voor de overgang van het vrije studentenleven naar een regelmatig bestaan met plichten.
Zelfverzekerd als ik die middag was zei ik dus, dat ik deze baan niet full-time wilde vervullen.
De coördinator dacht even na. ‘Zou je dan misschien iemand kennen met wie je samen deze baan zou willen vervullen?’, vroeg hij toen. Hij wilde blijkbaar ver gaan in zijn streven om mij te contracteren. Een duobaan sprak me wel aan en mensen die op zoek waren naar een dergelijke baan kende ik ook wel. Diezelfde avond nog polste ik M. Ze was gelijk enthousiast en besloot zonder omhaal te solliciteren. De baan was immers al half binnen. De toekomst zag er zonnig uit.

Het tweede gesprek vond plaats op de avond dat Johan Cruijff zijn fameuze afscheidswedstrijd tegen Bayern München speelde. M. had als eerste een gesprek met de commissie, die voor deze gelegenheid was uitgebreid met enkele bestuursleden. Ik zag ontspannen in een naastgelegen kamer hoe Bayern München het ene na het andere doelpunt scoorde. Ik hoopte dat M. er goed doorheen zou komen, zodat we samen aan de slag konden.
Daarna werd ik nog een half uurtje ondervraagd. Ik vond dat vreemd, want ik was toch al goed bevonden. Ik had me niet op nieuwe vragen voorbereid. Het gesprek verliep derhalve wat stroef.
Na afloop keek ik nog even naar de einduitslag van Ajax – Bayern München (0-8) en wisselde wat ervaringen uit met M., die redelijk tevreden was. ‘Dat komt wel goed’, zei ik.
Drie dagen later werd ik gebeld door de voorzitster van het bestuur. Ze had een hele omhaal van woorden nodig om uit te leggen, dat de keuze niet op mij gevallen was en dat men besloten had om M. full-time aan te stellen. Ik was te verbouwereerd om goede vragen te kunnen stellen. Bovendien kon ik echt niet geloven, dat ik op deze manier gepasseerd werd en dat M. hierin zou meegaan.
De volgende dag, na een aantal telefoontjes met M. en met de voorzitster, waarin mijn ongeloof geleidelijk was overgegaan in boosheid, gemarchandeer en hulpeloos geargumenteer, moest ik concluderen dat het echt waar was: men had M. aangenomen. M. bleef als een repeterende grammofoonplaat herhalen, dat zij was uitgekozen en dat dat inderdaad vervelend was voor mij.
Er was die avond een huisfeest in het studentenhuis, waar ik woonde. Ik liep er het eerste halfuur wat verdwaasd rond door de nog halflege kamers. Daarna vluchtte ik weg met een jonge jenever in de hand, een borrel die ik tot aan die avond nog nooit gedronken had. Op een kamer boven gaf ik mij over aan mijn verdriet en machteloosheid, de hele wereld om me heen vervloekend, de voorzitster van het JAC in Z. en mijn mede-studente M. in het bijzonder. Beneden werd onder luid gejuich voor de zoveelste maal die avond The sultans of swing van Dire Straits opgezet.

zondag 10 maart 2013


VERANTWOORDELIJKHEID OVERDRAGEN

 
Stel: je wilt als ouder dat je kinderen meer voor zichzelf en voor hun omgeving zorgen en minder afhankelijk worden van jou. Welke ouder wil dit niet? Sterker nog, het kinderen leren op eigen benen te staan lijkt me de kern van de  opvoeding. Het overdragen van taken en verantwoordelijkheden gaat echter niet vanzelf. Kinderen zijn gewend dat er voldoende cola in huis is en dat er elke avond eten op tafel staat. Zij gaan niet uit zichzelf opeens inkopen doen of de was ophangen.
Om de verantwoordelijkheidszin te bevorderen, kan je als ouder je kind stimuleren, uitdagen, de positieve kanten laten zien, goed gedrag belonen.  Je kunt een appèl doen op het verstand (‘bij meer rechten horen ook meer plichten’ of ‘we moeten allemaal ons steentje bijdragen’). Je kunt op het gemoed spelen (‘je bent toch een volwassen vent’ of ‘als je erbij wilt horen, moet je ook je handen laten wapperen’). Ik heb het vinden van de juiste stimulans altijd ervaren als een van de grote uitdagingen van het opvoeden.

Overheden staan feitelijk voor dezelfde taak. Zij willen dat burgers minder bij hen aankloppen en meer voor zichzelf gaan zorgen. Dat wij zelf onze ouders verzorgen als die hulp nodig hebben. Of dat wij zelf een buurthuis runnen of ons eigen straatje schoonvegen. Net als kinderen nemen burgers die verantwoordelijkheid niet uit zichzelf over. Die moeten daartoe uitgedaagd of gestimuleerd worden. Bij hoger opgeleiden lukt dat nog wel eens, maar bij de kwetsbare groepen in de samenleving is dit een moeilijke opgave.
Dit proces speelt in veel landen, maar er zijn, volgens de wetenschappers Imrat Verhoeven en Evelien Tonkens[1] grote verschillen in aanpak tussen de engelse overheid en de nederlandse overheid. In Engeland wordt een positief toekomstbeeld geschetst en worden burgers uitgedaagd om vooral de positieve kanten van de gemeenschapszin te ontdekken. In Nederland wordt het individu ‘op een norse wijze’  aangesproken op zijn plichten als burger. Je behoort voor je medeburger te zorgen en als je dat niet doet, dan mag je je schuldig voelen.  Het ‘come on, love’ tegenover de opgeheven vinger van de dominee. De voorkeur lijkt mij duidelijk. Maar geeft de verantwoordelijkheidsdrager zelf het goede voorbeeld?

In ondernemingen spelen soortgelijke ontwikkelingen. Leidinggevenden willen graag een ‘aanspreekcultuur’ bevorderen. Dat betekent, dat de medewerkers zich meer verantwoordelijk voelen voor de resultaten van de onderneming en dat medewerkers en leidinggevenden elkaar daarop aanspreken.  Medewerkers doen niet vanzelf wat de organisatie wil. Zouden ze dit wel doen, dan waren er geen managers nodig. Teammanagers lopen achter medewerkers aan om te zorgen dat de productie gehaald  wordt. Dat kan leiden tot een vervelende sfeer. Medewerkers voelen zich als kinderen behandeld en managers willen niet alleen maar controleur en boeman zijn.
Het zou derhalve mooi zijn als medewerkers zelf meer verantwoordelijkheid nemen voor de te behalen resultaten. Op zich is dit een streven, waar beide partijen voordeel uit kunnen halen. Een voorwaarde is dan dat er in onderling overleg afspraken worden vastgelegd over haalbare resultaten en dat de medewerker vervolgens de vrijheid wordt gegund op welke wijze hij deze resultaten wil behalen.
Een tweede voorwaarde is, dat het management zelf het goede voorbeeld geeft, d.w.z. dat het transparant is over de eigen doelstellingen en zich daaraan houdt. Als dit laatste ontbreekt is de missie tot mislukken gedoemd. Immers, wat zouden kinderen er van vinden als zij 2 x per week de  boodschappen moeten doen,  4 x de vaat en 1 x de strijk, terwijl  pappa en mamma gewoon maar doen wat hun goed lijkt, de ene keer dit, de andere keer dat?
Verantwoordelijkheid overdragen, het gaat niet vanzelf.


[1] Actief burgerschap: een wens of een moetje. Artikel op www.socialevraagstukken.nl

maandag 4 maart 2013


HALSBANDPARKIET

 
Deze winter zag ik voor het eerst een halsbandparkiet in onze tuin. Ik weet zeker, dat ik deze vogel  niet eerder in de tuin gezien heb, want ik houd dit bij. Ik heb twee lijsten: één van alle vogels die ik ooit heb waargenomen, waar ook ter wereld; en één van de vogels die ik rond ons huis heb gespot: in de tuin, in de lucht daarboven of aan de voorzijde.
De eerste lijst bevat nu 157 vogels, de tweede lijst met deze halsbandparkiet erbij 38.
Ik had hem verwacht overigens, deze parkiet. Het is een exotische vogel, oorspronkelijk afkomstig uit Afrika en Zuid-Azie. Waarschijnlijk zijn er in Nederland ooit een paar uit een volière ontsnapt. Zij blijken hier goed te kunnen overleven, wat heet, ze planten zich in duizelingwekkende vaart  voort. De vogel is in Nederland aan een onstuitbare opmars bezig, met name in de steden.
Een halfjaar geleden kwam ik voor het eerst een groep halsbandparkieten tegen in de Voorveldsepolder. Ik wist eerst niet niet wat ik zag. Ik was aan het hardlopen, volgens een bepaald schema, maar ik stopte onmiddellijk. Dat wil wel wat zeggen, want als ik tijdens het hardlopen een mens ontmoet loop ik gewoon door.
Met een hand boven mijn ogen omhoog turend tegen het licht zag ik een aantal grote, lichtgroen gekleurde vogels met een lange staart en een rode snavel. Ze waren luidruchtig, ze stootten harde, hoge, schrille geluiden uit. Dat moest de halsbandparkiet zijn.

Een paar weken geleden zat ik op een morgen met mijn rug naar het raam te lezen in Zwarte Honden van Ian McEwan. In de tuin achter mij hoorde ik een hard, schril geluid. Omkijkend zag ik daar onmiskenbaar een halsbandparkiet. In zijn eentje.
In onze tuin stond een tafeltje met daarop iets, wat ik nog het best zou kunnen omschrijven als een ‘vogeltaart’, een ondiepe, bruine schaal geheel gevuld met vogelzaden, gedroogde kersen, nootjes en wat al niet bij vogels het water in de snavel doet lopen (of werkt dit bij vogels niet zo?). ‘Daar komen een hele hoop vogels op af’, was mij verzekerd. Op dat moment dacht ik nog niet aan de halsbandparkiet. Ik dacht vooral aan de sijsjes, vinken, goudhaantjes en winterkoninkjes, die ik jarenlang ‘s winters regelmatig in de tuin zag, maar die ik nu al een aantal jaar gemist heb.
De halsbandparkiet zat bovenin de pruimenboom als een ontsnapte papegaai om zich heen te loeren.
Zou hij bij toeval langsgevlogen zijn en ver onder zich iets lekkers hebben zien staan of geroken?
Na een tijdje liet hij zich omlaag zakken naar een van de onderste takken, een heel dun takje waar hij met al zijn gewicht zachtjes op heen en weer wiegde. Hij keek weer om zich een, zelfverzekerd en doelgericht. Hij liet zich ondersteboven vallen en hing toen met één poot aan dat dunne takje. Weer nam hij de omgeving in zich op. De parkiet had zijn zinnen gezet op die taart, dat leek mij duidelijk.
Toen nam hij de gok en stak over. Echter niet naar de schaal op het tuintafeltje, maar naar een pindanetje aan de onderste tak van de boom.
Het netje hangt met opzet aan een lang touw om te voorkomen dat eksters, gaaien en kauwen vanaf de onderste tak het netje kunnen leegeten. Vooral kauwen zijn zo slim dat ze met hun poten het pindazakje nog naar boven kunnen trekken.
Deze halsbandparkiet was niet zozeer slim, het was vooral een akrobaat. Zoals hij net aan het dunne takje hing, zo hing hij met zijn hele gewicht aan dat dunne touwtje, op zijn kop, zodat hij zich tegoed kon doen aan het lekkers.
Deze circusact kon mij niet bekoren. Ik moet opkomen voor de zwakkeren in deze samenleving, in dit geval de kleine vogeltjes. Dus sloeg ik hard tegen het raam. Dat helpt bij alle vogels, zelfs bij duiven. Deze halsbandparkiet was echter onverstoorbaar, ook voor het lawaai van de achterdeur, en ook toen ik een meter onder het pindanetje ging staan om hem zijn ongewenste gedrag duidelijk te maken.
Pas toen ik in mijn handen klapte, vloog ie op, die stoere acrobaat.
Het moeten zijn genen zijn, gevormd in de tropische wildernis.